Fitness Seller

roofmoord juwelier

Users who are viewing this thread

Silva

Competitive Bodybuilder
+15 jaar member
Lid geworden
20 mei 2003
Berichten
2.885
Karma
2
Hitler was een een joodse neger met witte make up op.
 

Mikki

Huge Freak
+10 jaar member
Lid geworden
3 apr 2006
Berichten
8.268
Karma
90
Ik vind die vermoorde man erger. Arme mannetje kan gewoon niks doen tegen 3 van die klootzakken.
 

thinkalot

Ripped Bodybuilder
+10 jaar member
Lid geworden
30 sep 2006
Berichten
3.483
Karma
0
das eeen uitzondering,zal ook niet vaak voorkomen en ik vind dat ze dutroux allang de kogel hadden mogen geven?Zo'n bende zal wellicht nooit meer gaan voorkomen,Maareuh nu haal je oude koeien uit de sloot,het gaat om het heden,wat nu allemaal gebeurt


Als een Marokaan moordt zijn het "altijd die Marokkanen die moorden" maar als het Belgen zijn dan is het een "uitzondering".

de enige uitzondering die ik kan maken is dat dergelijke criminaliteit, de criminaliteit is van de onopgeleide domme boef. Belgen pelgen ook criminaliteit maar vaker van een hoger niveau, bijv fiscame frade. Dergelijke criminaliteit is minder zichtbaar en zorgt dus voor minder wrevel bij de bevolking.
 

thinkalot

Ripped Bodybuilder
+10 jaar member
Lid geworden
30 sep 2006
Berichten
3.483
Karma
0
nieand heeft blijkbaar de link van vstreet gelezen. Wellicht omdat hij niet altijd werkte. Vandaar dat ik hem post. Tis een lange tekst; Ik zal het belangrijkste in het vet zetten:

Samenvatting

Over de criminaliteit van etnische minderheden zijn slechts schaarse gegevens beschikbaar. Dit is ongetwijfeld mede een gevolg van het feit dat etniciteit niet als kenmerk van verdachten/daders wordt geregistreerd. Uit het oogpunt van ‘antiracistisch’ overheidsbeleid is het niet-registreren van etniciteit begrijpelijk en prijzenswaardig. Hier staan echter ook grote nadelen tegenover. Criminaliteit is een belangrijk symptoom van de mate van maatschappelijke problematiek en de mate van integratie van bevolkingsgroepen. Door niet-registreren gaat een mogelijk belangrijke signaalwerking in dit opzicht verloren. Bovendien wordt het moeilijker om zicht te krijgen op de mogelijke etnisch georiënteerde selectiviteit van het justitiële apparaat. Bij het weinige criminologische onderzoek dat er op dit gebied is gedaan, is etniciteit vaak geoperationaliseerd als nationaliteit. Dit betekent een ernstige beperking van de relevantie van dergelijk onderzoek voor de in dit rapport behandelde vraagstelling. Het maatschappelijke probleem van etniciteit en criminaliteit heeft betrekking op bevolkingsgroepen die door zichzelf en door anderen als etnische (nationaal-religieuze) groep worden herkend. Formele nationaliteit is hiervoor veel minder relevant dan bijvoorbeeld het leven in een bepaalde buurt, het komen uit een allochtone familie en het hebben van vrienden met dezelfde achtergrond. Onderzoek dat de definitie van etniciteit beperkt tot nationaliteit zal mogelijk zelfs vertekende resultaten (i.c. een sterke onderschatting van het allochtone element bij commune criminaliteit) opleveren omdat de cruciale groep van tweede-generatiejongeren in dergelijk onderzoek in sociologische zin zeer ten onrechte als autochtoon wordt aangemerkt.Ondanks deze beperkingen van onderzoek en registratie kunnen we op basis van de beschikbare gegevens concluderen dat er over het algemeen door allochtone groepen in onze samenleving relatief meer criminaliteit wordt geproduceerd dan door het autochtoon Nederlandse deel van de samenleving. Globale statistische gegevens dienen echter op een aantal belangrijke punten worden gerelativeerd. In allochtone groepen zijn sterker criminele leeftijdsgroepen meer vertegenwoordigd en allochtone groepen zijn doorgaans meer geconcentreerd in de ‘armste’ grootstedelijke woongebieden. Dit laatste is uiteraard een reflectie van het feit dat allochtonen in veel sterkere mate dan autochtonen tot de in sociaal-economisch opzicht lagere regionen van de samenleving behoren. Dat betekent dus dat allochtonen zich vaak aan de onderkant van de arbeidsmarkt bevinden, dat er in deze groep relatief veel werkloosheid voorkomt en dat allochtone jeugd vaak een gebrekkige scholing en opleiding heeft. Al deze kenmerken zijn sterk bepalend voor een gereduceerde kansenstructuur binnen de conventionele samenleving en daarmee voor een grotere geneigdheid tot deviant (delinquent) gedrag. Na correctie voor demografische en sociaal-economische factoren zien we dan ook een veel kleiner verschil in mate van delinquentie tussen allochtone en autochtone bevolkingsgroepen. Zonder correctie voor demografische en sociaal-economische factoren blijkt onder allochtone groepen drie- tot zesmaal zoveel criminaliteit voor te komen als onder autochtonen. Na correctie voor deze factoren wordt deze ratio ongeveer gehalveerd. Op basis van het beschikbare onderzoek kan worden geconcludeerd dat allochtone jongeren anderhalf- tot driemaal zoveel criminaliteit produceren als autochtone jongeren in vergelijkbare sociaal-economische omstandigheden.Er bestaat een variatie in de mate van criminaliteit van etnische minderheden. Marokkaanse en Antilliaanse jongeren vormen duidelijk de meest problematische groepen. Surinamers nemen een tussenpositie in en binnen de Turkse bevolkingsgroep wordt relatief de minste commune criminaliteit geproduceerd. Deze verschillen tussen de minderheidsgroepen corresponderen tot op zekere hoogte met de mate van marginaliteit van de bevolkingsgroepen in de Nederlandse samenleving. In het begrip marginaliteit komt zowel de structurele sociaal-economische positie van een bevolkingsgroep tot uiting als de mate van cultuurconflict die er bestaat tussen de Nederlandse (‘westerse’) normativiteit (postindustrieel, seculier, individualistisch) en de normatieve oriëntatie die in enkele allochtone groepen meer gangbaar is (traditioneler, religieus, collectivistisch). Het lijkt erop dat vooral onder de Mediterrane groepen een sterk op de eigen nationaal-religieuze groep betrokken rechtsbewustzijn bestaat. Hierbij zal zeker een rol spelen dat deze minderheidsgroepen, anders dan bijvoorbeeld Amerikaanse etnische minderheden, zich sterk op hun land van herkomst als ‘eigen land’ kunnen blijven oriënteren. Dit alles kan betekenen dat informele sociale controle vooral wordt uitgeoefend op gedrag dat de (traditionele) orde binnen de eigen familie- of etnische kring dreigt te
--------------------------------------------------------------------------------
Page 2
verstoren. Ten gevolge van de geringe integratie op het niveau van de gemeenschap blijft de omvattende Nederlandse samenleving een ‘vreemd’, niet-eigen en normatief minder relevant territoir. Normschendingen in deze normatieve ‘buitenwereld’ zijn (zowel door plegers als door opvoeders) makkelijker te excuseren of te rechtvaardigen. Vooral de tweede generatie allochtone jongeren leeft waarschijnlijk in een enigszins anomisch ‘niemandsland, op weg naar een onzekere toekomst (...) de oude normen volstaan niet meer, maar nieuwe zijn nog niet verworven’ (Schuyt, 1995, p. 12).Volgens enkele auteurs is de Marokkaanse bevolkingsgroep in een aantal opzichten sociaal problematischer dan de Turkse bevolkingsgroep. Dit geldt voor de sociaal-economische positie binnen de Nederlandse samenleving, maar ook voor de mate van samenhang binnen de eigen gemeenschap en voor de mate van cultuurconflict met de (conventionele) autochtone omgeving. De Turkse groep is economisch succesvoller dan de Marokkaanse groep, relaties binnen gezinnen zijn er waarschijnlijk minder conflictueus en (daarmee) zijn er minder ernstige problemen met de socialisatie van jongeren binnen de eigen gemeenschap. Een en ander is deels te herleiden tot het feit dat Turkse culturele tradities beter lijken aan te sluiten bij de vereisten van de westerse samenleving. Anderzijds zijn er ook aanwijzingen dat juist de homogeniteit en de economische zelfstandigheid van de Turkse bevolkingsgroep gunstige condities vormen voor de exploitatie van illegale drugshandel.Bij de Caribische (Surinaamse en Antilliaanse) bevolkingsgroepen speelt conflict op macrocultureel niveau waarschijnlijk minder een rol dan bij de Mediterrane bevolkingsgroepen. Deze groepen staan wat betreft hun herkomst minder ver van de westerse wereld en ook zijn er minder stringente religieuze tegenstellingen. Het lijkt er echter op dat bij een groot deel van de (creoolse) Caribische bevolkingsgroep de leefsT van de black lower class sterk is ingeburgerd. Net als in de VS bestaat in de zwarte Caribische groep een structurele afwezigheid van de vader. Sterker dan bij de lichter getinte Mediterrane groepen zal - objectief, maar zeker subjectief - (geanticipeerde) rassendiscriminatie een rol spelen. Dit alles heeft geleid tot een onder (creoolse) Caribische jongeren gangbare leefsT van opportunistische deviantie (‘hosselen’). Waar er zeer weinig vertrouwen bestaat in de mogelijkheid om in de conventionele samenleving succes te bereiken, zijn hedonistische, korte-termijnoverwegingen sterk bepalend voor het gedrag. Bij veel autochtone jongeren aan de onderkant van de samenleving zal dit ongetwijfeld weinig anders zijn. In het geval van allochtone jongeren zijn criminogene factoren echter veel sterker gedetermineerd.De vraag is nu welke beleidsmaatregelen er reëel denkbaar zijn ter beheersing van de ontegenzeglijk onevenredige criminaliteit onder etnische minderheden. Bij het overwegen van maatregelen dienen de vragen naar het ‘waartoe’ en naar de mogelijke onwenselijke bijeffecten van maatregelen expliciet te worden gesteld. Hierbij zullen een aantal tegenstrijdigheden zichtbaar worden. De essentie van het probleem is zonder meer de geringe integratie van etnische minderheden binnen de Nederlandse samenleving. Specifieke maatregelen gericht op de preventie en zeker maatregelen gericht op de repressie van criminaliteit onder etnische minderheden zullen betrekkelijk onvermijdelijk het gevaar van stigmatisering en daarmee van het versterken van collectieve marginaliteit met zich meebrengen. Anderzijds zal onevenredige criminaliteit onder etnische minderheden niet als probleem kunnen worden genegeerd. Dit zou zeker niet in het belang zijn van allochtone bevolkingsgroepen zelf, gezien de zeer schadelijke, integratiebelemmerende effecten van de associatie tussen criminaliteit en etnische minderheid.Volledige emancipatie en integratie van allochtone minderheden binnen de Nederlandse samenleving is alleen op langere termijn denkbaar. Om dit te bereiken is collectieve sociaal-economische lotsverbetering van etnische minderheden ongetwijfeld noodzakelijk. Het is daarbij de vraag in hoeverre het wenselijk is om maatregelen voor de verbetering van werkgelegenheid, scholing, huisvesting, vrijetijdsbesteding enzovoort, specifiek te richten op etnische minderheden. In elk geval zal verminderen van criminaliteit bij dit streven geen primair doel van overheidsmaatregelen zijn, maar eerder een wenselijk bijeffect. Voor zover integratie een cultureel proces is, is het waarschijnlijk weinig realistisch om te verwachten dat dit voornamelijk door maatregelen tot stand gebracht zal kunnen worden. Culturele processen voltrekken zich goeddeels binnen het privé-domein en hebben een informeel en autonoom karakter. Om deze redenen lenen ze zich slecht voor manipulatie door overheidsmaatregelen.Discriminatie van allochtonen door autochtonen en exclusieve oriëntatie van allochtonen op de eigen nationaal-religieuze identiteit zijn niet eenvoudig door wet- en regelgeving te beïnvloeden. Waarschijnlijk kunnen door maatregelen wel zoveel mogelijk condities worden geminimaliseerd die sociale en economische deelname door allochtonen aan de conventionele Nederlandse samenleving belemmeren. Antidiscriminatiemaatregelen liggen hierbij voor de hand.Specifieke, op criminaliteit door minderheden gerichte maatregelen liggen vooral op het meso- en microniveau. In de praktijk blijkt veel nadruk te liggen op individuele begeleidingsprojecten die primaire of secundaire preventie van criminaliteit als oogmerk hebben. Uit oogpunt van efficiëntie en effectiviteit
zouden wellicht juist veelzijdige buurtgerichte programma’s voor problematische woonbuurten met een hoge concentratie allochtonen de voorkeur verdienen.
 

Naar boven