Hier nog eentje van Benzakour. Column uit de humanist.
Trouwen is geen pretje
Het CBS meldt dat het huwelijk op een naoorlogs dieptepunt is beland; niet eerder zijn zo weinig Nederlanders (72.000 duizend) in de echt verbonden. Wie verbaast het? Het is het zoveelste bewijs dat de man-vrouw verhouding in een crisis verkeert. Scheiden is populairder dan trouwen en overspel lijkt een nationale sport geworden. Vandaag in het bootje vol rijstkorrels en anjers, morgen met dodelijke blik op het stadhuis de echtscheidingsakte ondertekenen. Het is een wet: hoe langer de ingehuurde feestlimousine, hoe korter het huwelijksgeluk. Waar is het misgegaan?
Ik denk dat de neergang begon toen we onze eisen en verwachtingen gingen opschroeven. Toen de vrouw begon te sleutelen aan de man en de man aan de vrouw. De vrouw moet niet alleen een ster zijn met de pollepel en tussen de lakens, maar ook in de buitenwereld. De man moet niet alleen een ster zijn in de buitenwereld, maar ook met de pollepel en tussen de lakens. Het gezinsleven als één stralende euforie, elke dag het Zwitserse Leven-gevoel, the sky is the limit. We zijn zo obsessioneel bezig met gelukkig-zijn dat we iets vergeten: gelukkig bén je niet, maar kun je hooguit worden. Geluk is een bal; we hollen er achteraan en als we hem grijpen, laat-ie zich wegschoppen.
Van kindsbeen wordt ons gefabuleerd over dat honeymoon van rozengeur en maneschijn. Een grotesk sprookje. De waarheid is dat dit sprookje net als de bajes het wettelijke instituut belichaamt van kommer en kwel. Plichtplegingen en zorgen. Stank en sleur. Verantwoordelijkheden en onvrijheid. En het ergste: je doet het nooit goed. Altijd schiet je tekort. Resultaat: eeuwig gezeur en gekibbel. Het eten smaakt duf, de lakens stinken, de muziek staat te hard, het gesnurk is zenuwwekkend. Alle troost en schoonheid van het illusoire huwelijksgeluk verdampt als rook zodra je besloten hebt elkaars scheten dagelijks te moeten aanhoren. De mens is geboren in zijn uppie en zal in zijn uppie sterven. (Natuurlijk bestaan er uitzonderingen, zoals mijn ouders, maar liever spreek ik over hoofdlijnen.)
Elsschot waarschuwde ons al:
Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
In d’ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
Haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven,
Toen wenndde hij zich af en vrat zich op van spijt.
En toch trouwen we. Want we zijn bang alleen te zijn. We zijn bang ongelukkig te worden.
In niet-westerse landen, zoals Marokko en Turkije, wordt veel minder gescheiden. Reden: het huwelijk wordt daar niet gezien als bron van eeuwig geluk maar als noodzakelijk kwaad. Als religieuze plicht. Als voortzetting van de stamboom. Of: als ultieme kans om te ontsnappen aan de beklemming van huis en dorp. Daarbij speelt ook status een rol: getrouwde individuen genieten meer aanzien & respect dan vrijgezellen. Mannen zeggen: ‘Kijk, Rachid heeft geld om een gezin te onderhouden.’ Vrouwen zeggen: ‘Kijk, Fatima heeft het gepresteerd een man voor zich te winnen en een gezin te stichten.’
In het westen liggen, als gezegd, de motieven anders. Hier zoeken we een zielemaatje. We daten, dineren, bioscopen, discoën, chillen, chatten en copuleren ons een ongeluk en denken dan eindelijk het zielemaatje gevonden te hebben. Tot we op een ochtend ontwaken en met hangende mondhoeken vaststellen ‘dit dekseltje past helemaal niet op mijn potje verdomme!’ Het doek valt.
In Marokko daarentegen begint en eindigt het huwelijkse plezier bij de eerste-3-dagen-ceremonieel. Beide partijen weten dat. Drie dagen goed vreten, lachen, vliesjes doorprikken, beschonken danspartijen en veel geloei. Daarna begint het echte leven en dat leven is stukken onfeestelijker. Ruzies, bedrog, ontrouw en een onstuitbare stroom babypoep en kroostkakofonie. Vooral ‘s nachts. Maar doordat deze noden lang tevoren waren ingecalculeerd kan het huwelijk alleen nog maar meevallen - zelfs als er klappen vallen. Een Arabisch koffiehuisgezegde luidt immers: ‘Geef elk avond je vrouw een lel, als jij niet wilt, wil zij het wel’ – vrij naar rijm. Vrouwen weten dat en zijn daarop berekend. Sterker dus, ze verlangen stiekem naar een dreun op z’n tijd. Ja mensen, hier wordt een publiek geheim onthuld: Marokkaanse vrouwen vinden mannen die niet regelmatig de handjes wapperen waterige weekdiertjes. En wie raakt er nou opgewonden van een waterig weekdiertje? Ik heb weleens beweerd dat markies de Sade in een vorig leven beslist een Marokkaan moet zijn geweest.
Maar in ons moderne Westen heeft de luxe en weelde ons totaal gecorrumpeerd. Alles glimt in het teken van een fictief (huwelijks)geluk. Geweld en pech willen we volledig verbannen. Het huwelijk als Hof van Eden. Maar als dat Hof een nachtmerrie blijkt en de ‘zelfontplooiing’ (wat al die contemporaine vrouwen willen) wat karig uitpakt, ontbinden we terstond het contract. Mits je Elsschot leest en denkt:
Ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.
Aldus Benzakour; hij schrijft overigens wel prikkelend...
