Fitness Seller

SER wil hypotheekrenteaftrek handhaven

Ga jij dan maar gezellig wachten tot de prijzen echt dalen Marky, grote kans dat je met jouw inkomen dan net een gangkast kan betalen.

Huizenprijzen dalen meestal bij hoge rentestanden, gelet op de rente ontwikkelingen op de kapitaalmarkt ziet het er niet naar uit dat de rente in bijzondere mate gaat stijgen.
 
kan maar 1 ding zeggen en dat houd mijn bijdragen aan dit topic op

DutchBodybuilding.com Forums > Algemeen > Chat en Conversatie > Samenleving en politiek

niet het gare hanehok

maar wie zie ik nu gangkasten posten als mod in hoogst eigen persoon
of zich laat leiden door deze discussie

:D

ownd

bye bye
 
Dat was echt de genadeslag marky, eric kan zijn spullen pakken.
 
Ik ben het eens met de SER
 
nevermind
 
kan maar 1 ding zeggen en dat houd mijn bijdragen aan dit topic op

DutchBodybuilding.com Forums > Algemeen > Chat en Conversatie > Samenleving en politiek

niet het gare hanehok

maar wie zie ik nu gangkasten posten als mod in hoogst eigen persoon
of zich laat leiden door deze discussie

:D

ownd

bye bye


Goed zo Marky, vooral voor jezelf opkomen. Maar het was geen geintje, als je te lang wacht is er straks echt geen woning meer betaalbaar voor jou. Je gaf zelf al een keer aan dat je salaris niet meer omhoog zou gaan. Dus hoe langer je wacht hoe minder kans je maakt op een aantrekkelijke woning.

In de Randstad moet je toch al snel modaal of meer verdienen om een appartement te kopen in een aantrekkelijke buurt, hoop voor jou dat je bovenmodaal verdient. Ook al is Limburg dan wel iets goedkoper natuurlijk.
 
Laatst bewerkt:
Lagere huizenprijzen compenseren voor hogere regionale werkloosheid

In regio's waar de werkloosheid hoog is, zijn huizen goedkoper. Een euro is in deze regio's dus meer waard en bewoners hoeven er daarom niet slechter af te zijn dan in regio's met gunstiger arbeidsmarktperspectieven. Bij de toekenning van regionale steun, die nu in veel gevallen geschiedt op basis van werkloosheid of nominaal inkomen, zou hiermee rekening gehouden kunnen worden.

Dit concluderen Wouter Vermeulen (Centraal Planbureau en Vrije Universiteit) en Jos van Ommeren (Vrije Universiteit) in het vandaag verschenen Discussion Paper 'Compensation of regional unemployment in housing markets'. De auteurs hebben het verband onderzocht tussen regionale huizenprijzen en werkloosheid op basis van gegevens over de arbeids- en de huizenmarkt in meer dan honderd Europese steden, verdeeld over negen landen. Voor Nederland is daarnaast ook gebruik gemaakt van het Woning Behoefte Onderzoek (WBO).


Huizen zijn goedkoper in regio's waar de werkloosheid hoog is, omdat het minder aantrekkelijk is om hier te wonen. Omgekeerd kan de regionale werkloosheid ook hoog blijven als gevolg van lage huizenprijzen. De prikkel om te verhuizen naar regio's met betere arbeidsmarktperspectieven is dan immers kleiner.


Wanneer we controleren voor andere verschillen in regionale aantrekkelijkheid, dan blijkt dat bij een landelijke werkloosheid van 5 procent de huizen ongeveer 30 procent goedkoper zijn in regio's met een werkloosheid van 10 procent. In Nederland is dit effect iets minder sterk dan in andere landen.


Werkloosheid is een indicator voor minder gunstige perspectieven op de arbeidsmarkt, die zich ook deels vertalen in lagere lonen. Bewoners van regio's waar de werkloosheid hoog is, zijn dus niet alleen slechter af door een grotere kans om zelf werkloos te worden, maar ook door een lager loon. Het geschatte effect van de lagere huizenprijzen op het reële inkomen blijkt ongeveer even groot te zijn als deze twee effecten samen. Dit wijst erop dat bewoners van deze regio's gecompenseerd worden voor minder gunstige perspectieven op de arbeidsmarkt, en dus niet altijd slechter af zijn. Bij de toekenning van regionale steun, die nu in veel gevallen geschiedt op basis van verschillen in werkloosheid of nominaal inkomen, zou hiermee rekening gehouden kunnen worden.


Een belangrijke kwalificatie van deze bevindingen is dat we niet weten hoe de compensatie tussen verschillende groepen binnen een regio verdeeld wordt. Er is bijvoorbeeld geen rekening gehouden met verschillen tussen hoger en lager opgeleiden. Voor de laatste categorie, die sterker vertegenwoordigd is in de sociale huursector, kan het compenserende effect kleiner zijn. De huurmarkt is in dit onderzoek buiten beschouwing gebleven.

Persbericht 10: Lagere huizenprijzen compenseren voor hogere regionale werkloosheid

Hiep hoi, woon je in een regio waar de woningen goedkoper zijn maar dan kan je weer geen baan vinden.
 
Welke factoren verklaren de recente
huizenprijsontwikkeling in Nederland?

Uitgaande van vergelijking (12) wordt in deze paragraaf getracht de vraag te beantwoorden
welke factoren in welke mate de huizenprijsontwikkeling in de afgelopen 12 jaar in Nederland
bepalen. Daarbij besteden we eerst aandacht aan de periode 1992-2000, waarin de nominale
huizenprijs met 11% gemiddeld per jaar is gestegen. Vervolgens komt de vraag aan de orde
waarom na 2000 de gemiddelde huizenprijs minder sterk steeg.

In 2000 leverde een koophuis gemiddeld 171 000 euro op, terwijl dat in 1991 slechts 67 000
euro was, een stijging van 155%. Welke factoren zaten achter deze forse nominale stijging?
Tabel 4.1 bevat een decompositie van de huizenprijsstijging in de periode 1992-2000. De reële
huizenprijs nam in deze periode met gemiddeld ruim 8% per jaar toe. Deze stijging kan voor
driekwart worden toegeschreven aan de welvaartsstijging. Vooral het gestegen beschikbaar
looninkomen droeg daaraan bij.
Het toegenomen financiële vermogen van gezinnen was goed
voor gemiddeld 2%-punt per jaar. Daarnaast was van belang dat de reële rente in deze periode
gemiddeld genomen daalde. Het bouwen van nieuwe woningen heeft een neerwaarts effect
gehad op de huizenprijsstijging van bijna 2% per jaar.


Enig tegenwicht wordt geboden door het relatief geringe aantal nieuw gebouwde woningen in
de periode 2001-2003.
Het prijsdrukkend effect van het op de markt komen van nieuwe
woningen was daardoor geringer dan in de voorafgaande periode. Deze factoren kunnen samen
echter maar een beperkt deel van de geringere stijging van de huizenprijs verklaren. De rest van
de verklaring heeft vooral te maken met de naweeën van de uitzonderlijk forse
huizenprijsstijging in het jaar 2000, waarvoor in de korte-termijnvergelijking een dummy is
opgenomen.

In het jaar 2000 is de huizenprijs sterk gestegen, mede door de forse spanning op de
woningmarkt
. Dit effect kon niet verklaard worden uit de door ons onderzochte variabelen en is
daarom als dummy in de korte-termijnvergelijking opgenomen. Omdat deze dummy niet is
opgenomen in de lange-termijnvergelijking, zal de stijging in 2000 een drukkend effect hebben
op de prijsstijgingen in latere jaren via het aanpassingsproces van het gemodelleerde
foutencorrectiemodel. Het tempo waarin dat gebeurt, hangt mede af van de vraag of de feitelijke
huizenprijs hoger of lager ligt dan de lange-termijnwaarde. In een kader wordt toegelicht hoe
het aanpassingsproces wordt berekend op basis van de gekozen schattingsvergelijkingen.

[Link niet meer beschikbaar]

Ben je er nog Marky?
 
Conclusies

De huizenprijsontwikkeling speelt een belangrijke rol bij het maken van de economische
ramingen. Het is mede daarom van groot belang inzicht te krijgen in de achterliggende factoren
van de huizenprijsontwikkeling. De centrale vraagstelling in dit onderzoek is dan ook welke
factoren de huizenprijsontwikkeling in Nederland bepalen. Uit de bovenstaande empirische
analyse kunnen de volgende conclusies getrokken worden:

· De reële huizenprijsontwikkeling in de periode 1980-2003 kan redelijk goed worden
beschreven aan de hand van een zogenoemd ‘twee stappen’ foutencorrectiemodel. Hierbij is
expliciet rekening gehouden met de asymmetrie op de woningmarkt. Aanbieders van woningen
passen de vraagprijs sneller aan wanneer het niveau van de feitelijke huizenprijs onder de langetermijnwaarde
ligt dan in het geval dat huizen gemiddeld ‘overgewaardeerd’ zijn.

· Het lange-termijnniveau van de reële huizenprijs wordt bepaald door het reëel beschikbaar
looninkomen, het financiële gezinsvermogen (exclusief aandelen), de reële rente en de
woningvoorraad.


De korte-termijnontwikkeling van de reële huizenprijs kan worden verklaard
door de veranderingen in het reëel beschikbaar looninkomen, de nominale rente, de
consumentenprijsindex en de woningvoorraad alsmede de afwijking tussen het feitelijke en
lange-termijnniveau van de huizenprijs in de vorige periode
.

In de periode 1992-2000, toen de reële huizenprijs met gemiddeld 8,5% per jaar sterk steeg, kan
de stijging voor driekwart worden toegeschreven aan de welvaartsstijging. De invloed daarvan
verliep via twee kanalen. Ten eerste is de lange-termijnwaarde van de huizenprijs sterk gestegen
door een hoger beschikbaar looninkomen en meer financieel vermogen van gezinnen, waaraan
de feitelijke huizenprijs zich geleidelijk heeft aangepast. In de tweede plaats heeft de stijging
van het beschikbaar looninkomen ook rechtstreeks een opwaarts effect op de
huizenprijsontwikkeling gehad. Daarnaast daalde de reële rente over de gehele periode
genomen, wat ook aan de forse huizenprijsstijging in deze periode heeft bijgedragen. Daar
stond een drukkend effect tegenover van circa 2%-punt per jaar door het op de markt komen
van nieuwbouwwoningen.

· In de periode 2001-2003 is de reële prijsstijging van huizen sterk afgevlakt, tot ‘slechts’ 2½%
per jaar. Uit de analyse vloeit voort dat dit vooral samenhangt met de geringere
welvaartsstijgin
g. Daarnaast waren koopwoningen de afgelopen jaren gemiddeld genomen wat
overgewaardeerd. De hiernavolgende aanpassing drukte de stijging van de reële huizenprijs in
de jaren 2001-2003 enigszins. Vanwege het asymmetrische karakter van het aanpassingsproces was dit effect echter beperkt van omvang.

[Link niet meer beschikbaar]

Maar vooral blijven geloven dat makelaars de prijs opdrijven en niet de markt en de daar aan verbonden gestegen welvaart zijn werk doet. Er was bijvoorbeeld duidelijk een afvlakking te zien toen de economie in een recessie belandde, hebben die verdomde makelaars zeker al van te voren goed kunnen inschatten dan?

Of zou het CPB ook in het complot zitten?
 
Welke economische faculteit heb jij bezocht Eric? Of misschien alsnog doen ;)
 
Welke economische faculteit heb jij bezocht Eric? Of misschien alsnog doen ;)

;) Nah, ooit begonnen aan een studie Algemene Economie, maar ik vind er gewoon geen zak aan. Ook al is Algemene Economie natuurlijk wel heel erg saai, weet niet wat me bezielde om zo'n stoffige studie op te pakken.

Overigens gewoon een OU-studie, wilde er toen bij blijven werken.
 
Algemene economie spreekt mij meer aan de bedrijfseconomische kanten als Accountacy. Toch heb ik gekozen voor een major/master in Finance, wat wel weer erg bedrijfseconomisch is.
Algemene economie is erg wiskundig van aard, met name de micro economie. Persoonlijk vind ik het wel interessant, snap niet dat je het 'stoffig' kunt noemen, ouwe ;)
 
We hebben het over 17 jaar terug, studie begon met macro economie en dan vooral gericht op de bestuursrechterlijke organisaties in Nederland. Je daar minimaal een jaar lang in verdiepen voordat je een keer toekwam aan het bestuderen van modellen vond ik vrij saai.

OU-studie gaat op een langzamer tempo, je werkt er immers naast.
 
Dat tempo is dan wel bezwaarlijk inderdaad. Zelf hanteer ik een vrij strak schema, dat nu in 2 jaar tijd al voor meer dan 3 jaar aan studiepunten heeft opgeleverd. Zo houd ik het aantrekkelijk door veel (verschillende) stof de revue te laten passeren.
 
nee ericr ik was weg en had ook gezegt dat ik verder er niet meer op in zou gaan

ik kan nu wel weer geen reageren maar laat ik zien dat ik gelijk heb en dus ook het verstand om deze zinlose discussie te stoppen
 
:roflol:

Ok Marky, laat het inderdaad maar rusten.
 
Terug
Naar boven