- Lid sinds
- 16 mei 2006
- Berichten
- 23.682
- Waardering
- 21.437
Volg de onderstaande video samen om te zien hoe u onze site kunt installeren als een web-app op uw startscherm.
Notitie: Deze functie is mogelijk niet beschikbaar in sommige browsers.
In sommige streken wordt Sint Maarten niet op zondag gevierd als 11 november op een zondag valt, maar verplaatst de viering naar zaterdag of maandag.
Reli's are gonna reli!
Hoi heb je linkjes van die studies? Ben wel erg benieuwd wat objectief als "discriminatie" telt. En is er ook gekeken naar zaken zoals subsidie voor het aannemen van buitenlanders? En belasting voordelen en woningvoorzieningen voor expats? De verdeling van ethniciteit van werknemers bij overheidsinstanties?
Als je niet lang bent heb je het een stuk moeilijker.
Met overgewicht heb je het een stuk moeilijker.
Met een lelijk gezicht heb je het een stuk moeilijker.
Mensen met meer ervaring hebben het een stuk moeilijker.
Tuurlijk wordt er gediscrimineerd. Als je uit 10 kandidaten mag selecteren dan kies je voor iemand die zo min mogelijk "afwijkt" van een norm ,dat is gewoon logisch.
Andersom geldt dit natuurlijk ook. Wanneer Henk Janssen bij een Toko of Halal slagerij gaat solliciteren geef ik hem niet al te veel kans. Sta ik daar van te kijken? Nee.
Hetzelfde als dikke 50 jarige Truus die bij de Douglas wil solliciteren. Reken maar dat een mooie jonge getinte dame de voorkeur zal krijgen. Gelukkig mogen ondernemers nog altijd zelf kiezen wie ze aannemen. Vooralsnog...
Komt gewoon omdat die koelkast bezorger wilde kijken of hij ‘s nachts nog een keertje langs zou willen komen.
godverEr moet een 'nader onderzoek' komen naar de vraag of oud-minister Ivo Opstelten invloed heeft uitgeoefend op het besluit van het Openbaar Ministerie om PVV-leider Geert Wilders te vervolgen voor zijn omstreden 'minder Marokkanen'-uitspraak.
Dit bevestigt de advocaat van Wilders, Geert-Jan Knoops, aan RTL Nieuws. Volgens Knoops zijn er 'aanwijzingen' dat de toenmalig minister van Justitie en Veiligheid, VVD'er Ivo Opstelten, er in 2014 vooraf bij het Openbaar Ministerie (OM) op heeft aangedrongen om Wilders strafrechtelijk te vervolgen.
Knoops voelt zich nu gesterkt door nog lopend onderzoek van RTL Nieuws. Sinds mei beschikt RTL over informatie dat Opstelten invloed uitoefende. Bronnen meldden dat hij voorafgaand aan het besluit van het OM duidelijk maakte dat deze zaak tot strafvervolging moest leiden. OM en ministerie hebben deze informatie niet bevestigd. Volgens de bronnen meende Opstelten dat vanwege de grote maatschappelijke impact strafvervolging moest worden ingesteld.
Neen, dit gaat over het niet eens uitnodigen op een sollicitatie door de naam die duidt op een andere afkomst. Je kan niet zien aan de sollicitatiebrief of iemand lang of dik is. Het gaat er hier om dat mensen met een andere etniciteit soms nog geen eens de kans krijgen langs te komen en hierdoor veel moeilijker aan een baan te komen.
Nogmaals, zeg ik hier dat men zielig in een hoekje alles op discriminatie moet blaimen, nee zeker niet.
Top thanks ik zal eens kijken. Vooral benieuwd hoe ze controleren voor aan de ene kant de mogelijkheid dat getinten met een buitenlandse achternaam of accent zich sneller gediscrimineerd kunnen voelen of daar meer melding van doen wanneer zij zich aan (fatsoens-)regels dienen te houden, en aan de andere kant of er ook gekeken is naar alle factoren waar ze juist een voorkeursbehandeling (lijken) te krijgen en hoe dat niet zou kloppen.Hierbij enkele van de vele onderzoeken die dit laten zien; ik noem er even enkele die gaan over Nederland o.a. die van Frank van Tubbergen (hoogleraar sociologie) maar ook internationaal wordt dit verschijnsel gevonden
van Tubergen, F. (2006). De Arbeidsmarktpositie Van Allochtone Vrouwen in Internationaal Vergelijkend Perspectief. Migrantenstudies, 4, 199-218.
Dolfing, M., & van Tubergen, F. (2005). Bensaïdi of Veenstra? Een experimenteel onderzoek naar discriminatie van Marokkanen in Nederland. Sociologie, 1(4), 407-422.
Nievers, E., & Andriessen, I. (2010). Discriminatiemonitor niet-westerse migranten op de arbeidsmarkt 2010.
Ook rapporten van het SCP noemen dit verschijnsel, discriminatie op de arbeidsmarkt is een feit. Als iemand van een allochtone achtergrond heb je minder kans dan een autochtoon om gevraagd te worden langs te komen voor een sollicitatiegesprek en kom je dus moeilijker aan een baan.
Maar is daar hun ethniciteit een causatie of slechts een correlatie met factoren die ze zelf bepalen?Als iemand van een allochtone achtergrond heb je minder kans dan een autochtoon om gevraagd te worden langs te komen voor een sollicitatiegesprek en kom je dus moeilijker aan een baan.
Volgens mij werkt "blind" solliciteren evenmin. Overigens is veronderstelde discriminatie niet de enige factor die bepalend is voor het vinden van een baan.Als iemand van een allochtone achtergrond heb je minder kans dan een autochtoon om gevraagd te worden langs te komen voor een sollicitatiegesprek en kom je dus moeilijker aan een baan.
Deze gaat vnl over arbeidsparticipatie. En over allochtonen van de 1e generatie, die dus in elders zijn geboren.van Tubergen, F. (2006). De Arbeidsmarktpositie Van Allochtone Vrouwen in Internationaal Vergelijkend Perspectief. Migrantenstudies, 4, 199-218.
Met name mensen van Turkse en Marokkaanse afkomst scoren hoog qua werkloosheid en arbeidsparticipatie in Europa, andere groepen allochtonen scoren in heel Europa aanmerkelijk beter. Opvallend verschijnsel.Het is belangrijk om op te merken dat de cijfers betrekking hebben op alle eerstegeneratie allochtonen (i.e. personen die in het buitenland zijn geboren), dus zowel ‘westers’ als ‘nietwesters’. De personen zijn in alle surveys geindentificeerd door af te gaan op het geboorteland. Er is niet gekeken naar de tweede generatie (kinderen van migranten), en personen zijn niet geindentificeerd op grond van nationaliteit of etnische zelfidentificatie.
Onderzoek laat zien dat verschillen in opleiding, arbeidsmarktervaring en leeftijd tussen immigranten en autochtonen een belangrijk deel van de verschillen in arbeidsmarktsucces verklaren (Dagevos, 2006; De Vries & Wolbers, 2002).
Onvoldoende taalbeheersing, ervaring in geboorteland die nauwelijks hier van toepassing kunnen zijn, langere periode van inactiviteit, trauma's etc. zijn ook redenen die meespelen.Een belangrijk onderscheid dat daarbij wordt gemaakt is dat tussen algemeen human capital en land-specifiek human capital (Friedberg, 2000). Algemeen human capital duidt op de algemene productiviteit van mensen en wordt vaak afgemeten aan leeftijd, motivatie, intelligentie, opleidingsniveau, gezondheid en arbeidsmarktervaring. Deze theorie geeft daarmee een belangrijke verklaring voor de zwakkere positie van allochtone vrouwen op de arbeidsmarkt. Bij aankomst in hun bestemmingsland hebben veel allochtone vrouwen minder algemeen human capital, onder meer blijkend uit een lagere opleiding. In de vijftien EU-landen is het gemiddeld opleidingsniveau van vrouwen hoger dan in de meeste herkomstlanden van allochtone vrouwen.
Het is bekend dat vrouwen (evenals mannen) met een hogere opleiding een betere positie hebben op de arbeidsmarkt. Vrouwen met een hogere opleiding zijn vaker actief op de arbeidsmarkt, zijn minder vaak werkloos en hebben betere banen dan lager opgeleide vrouwen. Onderzoek laat zien dat verschillen in opleiding, arbeidsmarktervaring en leeftijd tussen immigranten en autochtonen een belangrijk deel van de verschillen in arbeidsmarktsucces verklaren (Dagevos, 2006; De Vries & Wolbers, 2002).
Eerder onderzoek ondersteunt de gedachte dat vluchtelingen minder goed presteren (Van Tubergen, 2006b; Van Tubergen e.a., 2004). Rekening houdend met andere macrokenmerken blijkt dat naarmate de politieke en religieuze onderdrukking in het land van herkomst groter is, allochtone vrouwen minder vaak op de arbeidsmarkt participeren, zij vaker werkloos zijn, en als ze werken, ze dat doen in minder hoog aangeschreven beroepen.
Ook de economische ontwikkeling in het land van herkomst ten opzichte van het land van bestemming speelt een rol. Allochtonen uit armere landen hebben vaker een lage opleiding genoten dan allochtonen uit meer ontwikkelde landen. Bovendien zijn diploma’s behaald in minder ontwikkelde landen moeilijker te verzilveren, met name als zij migreren naar meer welvarende landen (Borjas, 1987, 1988; Chiswick, 1978; Jasso & Rosenzweig, 1990).
Als laatst wil ik hier graag bij vermelden dat het niet uitnodigen van een allochtoon ook kan voortvloeien uit ervaringen van werkgevers, of ervaringen die werkgevers van elkaar horen over bepaalde groepen.Omdat werkgevers vaak positievere beelden hebben van de eigen groep, worden allochtonen vaker gediscrimineerd door werkgevers (Van Beek, 1993). Discriminatie treedt verder op omdat werkgevers vaker verwachten dat personeel minder goed kan samenwerken met allochtonen en dat klanten minder zullen kopen van allochtonen dan van autochtonen (Van Beek, 1993).
https://forum.bodybuilding.nl/attachments/tubergenfa-bensaidi-2005-pdf.662385/Dolfing, M., & van Tubergen, F. (2005). Bensaïdi of Veenstra? Een experimenteel onderzoek naar discriminatie van Marokkanen in Nederland. Sociologie, 1(4), 407-422.
In deze studie wordt gekeken naar discriminatie van Marokkanen in Nederland. Dolfing en Van Tubergen bestuderen de reacties van werkgevers op Marokkaanse en autochtone proefpersonen die over de telefoon solliciteren naar een stageplaats in het mbo en vergelijken de uitkomsten voor verschillende bedrijfstakken. Uit ons onderzoek blijkt dat Marokkanen vaker worden afgewezen voor een stageplek. De mate van discriminatie verschilt echter per bedrijfstak. Veruit de sterkste discriminatie van Marokkanen is in de bouw.
Een mogelijke verklaring voor de achterstand van allochtonen is het voorkomen van discriminatie op grond van etniciteit. Dit idee wordt vaak besproken in de media, in publieke debatten en in de politiek. Ook zijn er veel geluiden van allochtonen die menen te worden gediscrimineerd. Ondanks de indrukken van allochtonen dat er in Nederland wordt gediscrimineerd, is dit nog geen bewijs.
Het doel van dit artikel is tweeledig. Ten eerste wordt een overzicht gegeven van eerdere bevindingen van etnische discriminatie in Nederland, waarbij met name wordt gekeken naar de methodiek. Op welke manier is discriminatie onderzocht? Wat laten die onderzoeken zien? Ten tweede volgt een empirische uitbreiding van eerder onderzoek naar discriminatie.
(zie eerdere post)Een eerste manier om inzicht te krijgen in mogelijke discriminatie van allochtonen op de arbeidsmarkt, is door de arbeidspositie van vergelijkbare allochtonen en autochtonen te onderzoeken.
Eén belangrijke set van factoren komt voort uit de humaan kapitaal theorie. Volgens deze theorie wordt de arbeidspositie van allochtonen en autochtonen bepaald door het menselijk kapitaal: hoe meer vaardigheden, kennis en talenten mensen hebben, des te beter presteren ze op de arbeidsmarkt. Op grond van dit idee wordt rekening gehouden met het bereikte opleidingsniveau, maar ook met andere ‘skills’ zoals arbeidsmarktervaring en kennis van de Nederlandse taal. Ook wordt in dit type onderzoek vaak demografische verschillen, zoals geslacht, leeftijd, burgerlijke staat, en het aantal kinderen betrokken.
2.Uit onderzoek uit het buitenland en in Nederland kwamen inderdaad op deze manier empirische aanwijzingen voor discriminatie naar voren. Deze studies laten zien dat opleiding, taalvaardigheid, leeftijd en andere factoren van invloed zijn op de positie op de arbeidsmarkt, maar dat daarnaast verschillen blijven bestaan tussen allochtonen en autochtonen.
Met name grotere migrantengroepen en groepen die in sociaal-cultureel opzicht verschillen van autochtonen hebben, overeenkomstig theorieën over discriminatie, een slechtere positie op de arbeidsmarkt (Van Tubergen 2005, 2006; Van Tubergen, Maas en Flap 2004). Een nadeel van dit type onderzoek is dat het overgebleven verschil tussen allochtonen en autochtonen niet noodzakelijk hoeft te wijzen op discriminatie. Het onverklaarde verschil tussen allochtonen en autochtonen is eigenlijk een black box.
Een andere manier om discriminatie te onderzoeken, is het ondervragen van autochtonen, de (potentiële) ‘daders’. In dit type onderzoek worden autochtonen gevraagd naar hun opvattingen, meningen en houdingen tegenover allochtonen (Scheepers, Coenders en Lubbers 2003). Studies gedaan onder de gehele bevolking laten zien dat ongeveer twintig procent van de Nederlanders grove negatieve vooroordelen heeft tegenover allochtonen (Scheepers, Eisinga en Linssen 1994). Ook blijkt uit onderzoek dat ruim 48 procent van de Nederlanders ‘subtiele’ vooroordelen heeft over allochtonen (Verberk, Scheepers en Felling 2002).
3.Een voorbeeld van specifiek onderzoek naar houdingen onder werkgevers is dat van Kruisbergen en Veld (2002). In hun onderzoek gaf 25 procent van de werkgevers uit het midden- en 410 | Sociologie 1 [2005] 4 kleinbedrijf aan liever helemaal geen allochtonen aan te nemen voor een vacature. Uit een ander onderzoek blijkt dat 53 procent van de ondervraagde werkgevers liever autochtoon personeel inzet op functies met klantcontact (Motivaction 2004). Uit soortgelijk onderzoek van Hooghiemstra (1991) blijkt dat 37 procent van de ondervraagde personeelsmanagers zegt bij gelijke geschiktheid de voorkeur te geven aan autochtonen. Additionele aanwijzingen voor etnische discriminatie komen uit vignettestudies, waarin werkgevers wordt gevraagd naar hun voorkeuren voor bepaalde profielkenmerken (Van Beek 1993; Van Beek en Van Praag 1992).
Hoewel er ook bij dit type onderzoek aanwijzingen worden gevonden voor discriminatie van allochtonen in Nederland, zitten er ook nadelen aan de methode. Het betreft onderzoek naar houdingen van mensen, niet naar feitelijk gedrag. Onderzoek dat zich ruim 70 jaar bezighoudt met dit vraagstuk laat zien dat gedragingen niet altijd consequent voortvloeien uit houdingen (La- Piere 1934; Pager en Quillian 2005). In het bijzonder moet bij dit type onderzoek rekening worden gehouden met sociaal wenselijke antwoorden.
Ervaringen van allochtonen. Bij dit type onderzoek staat de vraag naar ervaringen van allochtonen, de ‘slachtoffers’, met discriminatie centraal. Sommige onderzoeken maken gebruik van cijfers over officiële klachten van allochtonen. Indien allochtonen aangeven dat zij systematisch te maken hebben met discriminatie, dan wordt dit opgevat als een aanwijzing voor discriminatie op de arbeidsmarkt.
4.Onderzoek naar ervaringen van allochtonen in Nederland geeft inderdaad aanwijzingen voor discriminatie. Veenman (1990) liet zien dat 20 procent van de Molukkers in Nederland ervaringen heeft met discriminatie bij sollicitaties. Uit ander onderzoek blijkt dat 63 procent van de jongeren in het mbo en hbo van mening is dat er sprake is van discriminatie op de arbeidsmarkt (Klaver, Mevissen en Odé 2005). Een studie onder 300 Marokkanen, Turken en Surinamers liet zien dat 82 procent het eens is met de stelling dat bij het zoeken naar werk Nederlanders vaak de voorkeur krijgen boven buitenlanders (ncb 1995).
Een nadeel van deze methodiek is dat het onduidelijk is in hoeverre de ervaringen van allochtonen juist zijn. In sommige gevallen zullen ervaringen ten onrechte worden toegeschreven aan discriminatie, in andere gevallen zullen ze ten onrechte onopgemerkt blijven.
Een vierde manier om discriminatie te onderzoeken, is door gebruik te maken van een situatietest. De kern van deze methode is het gedrag van werkgevers ten opzichte van vergelijkbare allochtonen en autochtonen te bestuderen. De allochtone en autochtone proefpersonen reageren op dezelfde vacature of proberen beide een open sollicitatie bij dezelfde werkgever. De proefpersonen zijn hetzelfde op alle relevante kenmerken (zoals opleiding, taalbeheersing, leeftijd, werkervaring), behalve etniciteit. Dit type onderzoek bestaat al bijna 40 jaar en is veelvuldig in het buitenland toegepast.
Uit talloze onderzoeken blijkt dat allochtonen significant minder vaak worden uitgenodigd voor een gesprek en minder vaak een baan krijgen dan identieke autochtonen (Riach en Rich 2002). Ook uit onderzoek uitgevoerd door Bovenkerk in Nederland is dat gebleken, zowel uit zijn studies uit de jaren ’70 (Bovenkerk 1977) als uit zijn onderzoek uit de jaren ’90 (Bovenkerk, Gras en Ramsoedh 1995; Gras, Bovenkerk, Gorter, Kruiswijk en Ramsoedh 1996). In zijn meest recente onderzoek werden verschillende situatietests uitgevoerd om discriminatie te meten jegens laaggeschoolde Marokkaanse en Surinaamse mannen en vrouwen en jegens hooggeschoolde Surinaamse mannen. Daaruit bleek dat terwijl het percentage uitnodigingen voor een sollicitatiegesprek voor laagopgeleide autochtonen tussen de 54 en 61 lag, slechts 29 tot 34 procent van de laagopgeleide allochtonen werd uitgenodigd.
De situatietesten komen het dichtst in de buurt van een bewijs voor discriminatie. Dergelijk onderzoek is niet onderhevig aan problemen die aan ander soort onderzoek kleven. In vergelijking met onderzoek naar achterstand van allochtonen zijn in situatietesten allochtonen en autochtonen geheel identiek. En in tegenstelling tot onderzoek naar ervaringen van allochtonen en voorkeuren van autochtonen meten situatietesten feitelijk gedrag.
Onderhavige studie is een uitbreiding van bestaand onderzoek naar etnische discriminatie in Nederland. We doen dat door gebruik te maken van de metho- 412 | Sociologie 1 [2005] 4 de die de meest directe aanwijzingen geeft voor het al dan niet bestaan van discriminatie, de situatietest. Tot zover is Bovenkerk de enige geweest in Nederland die gebruik heeft gemaakt van deze methode. Zijn meest recente onderzoek is echter 10 jaar geleden gedaan. Onze studie is echter geen replicatie van zijn onderzoek.
In ons onderzoek kijken we naar discriminatie en de toon van het gesprek. In zijn onderzoek hanteerde Bovenkerk de volgende definitie van discriminatie: ‘Discriminatie is de achterstelling van individuen of groepen op grond van kenmerken die in de context van de handeling geen aanvaardbaar motief vormen’ (Gras, Bovenkerk, Gorter, Kruiswijk en Ramsoedh 1996). In onderhavig onderzoek betekent dat dat Marokkanen op basis van hun etnische achtergrond worden benadeeld.
Model 1 laat zien dat in vergelijking met autochtonen Marokkanen drie keer zo vaak te horen krijgen dat er niet of nauwelijks stagiaires werken in het bedrijf. Model 2 toont aan dat ook na rekening te houden met de sectoren waarnaar is gebeld, het verschil in afwijzingen significant is. Aangezien beide groepen naar een groot aantal willekeurig gekozen bedrijven hebben gebeld, mag dit verschil worden opgevat als een onevenredig grote kans voor Marokkanen om te horen krijgen dat er normaal gesproken geen stagiaires werken in het bedrijf. Deze conclusie wordt bevestigd door af te gaan op de andere indicator van discriminatie: afwijzing. Uit Model 4 valt af te lezen dat voor Marokkanen de odds om te worden afgewezen voor een gesprek versus te worden uitgenodigd 1.6 keer hoger is dan voor autochtonen. Dit verschil is significant. We kijken ook naar mogelijke interacties tussen etniciteit en bedrijfstak.
Het blijkt dat Marokkanen in de bouw het meest worden gediscrimineerd; in die sector wordt tegen Marokkanen vaker dan tegen autochtonen gezegd dat er geen stages zijn en is het verschil in afwijzing met autochtonen het grootst. Marokkanen in de detailhandel krijgen vaker te horen dat er normaliter niet of nauwelijks stages zijn en ze worden vaker afgewezen dan in de horeca. Het verschil is weliswaar niet significant volgens conventionele maatstaven, maar gezien het geringe aantal cases en aantal ‘succesvolle pogingen’ vatten we dit toch op als een aanwijzing voor een significant verschil.
Conclusie en discussiekijken we ook naar de toon waarop de sollicitanten te woord werden gestaan. Wat laten de resultaten zien? We vinden geen significant verschil in de manier waarop Marokkanen en autochtonen te woord worden gestaan. Significante verschillen worden wel gevonden als we kijken naar interacties tussen etniciteit en bedrijfstak. In de bouw worden Marokkanen het meest onvriendelijk te woord gestaan, en dat is in mindere mate in de detailhandel ook het geval. Een opmerkelijke bevinding is dat in de horeca Marokkanen vriendelijker worden bejegend dan autochtonen. Dit verklaart Mirjam Dolfing en Frank van Tubergen | 417 ook waarom het algemene verschil tussen Marokkanen en autochtonen niet significant is: de negatievere ervaringen van Marokkanen in de detailhandel en met name in de bouw worden gecompenseerd door de positievere ervaringen in de horeca.
Marokkanen zijn mijns inziens wel een specifieke groep “allochtonen”. Ook wordt er afwisselend "Marokkaan" en "Allochtoon" gebruikt, terwijl alleen Marokkanen zijn qua proefpersonen. En de "Marokkaan" is, nogmaals mijns inziens, niet per se representatief voor de "Allochtoon".Het blijkt dat allochtonen in Nederland een achterstand op de arbeidsmarkt hebben, zelfs nadat rekening wordt gehouden met andere factoren zoals opleidingsniveau en taalbeheersing. Verder heeft een aanzienlijk deel van de Nederlanders een negatieve houding jegens allochtonen en geven werkgevers aan liever geen allochtonen in dienst te nemen. Voorts zijn er de ervaringen met discriminatie van allochtonen zelf. Ten slotte wijst experimenteel onderzoek uit dat allochtonen die verder identiek zijn aan autochtonen minder kans hebben op een baan. Kortom, de gedachte dat vergelijkbare allochtonen en autochtonen gelijke kansen hebben op de arbeidsmarkt in Nederland wordt tegengesproken door empirisch onderzoek.
Hoewel onze studie aanwijzingen vindt voor discriminatie en ook licht werpt op diverse hypothesen uit de economie en sociologie, zijn er ook problemen met ons onderzoek. Eén serieus probleem is de overlap van geslacht en sector. In de bouw werden mannelijke proefpersonen ingezet, in de detailhandel en de horeca alleen vrouwen. Het is om die reden mogelijk dat de verschillen die we vonden tussen de bouw aan de ene kant en de detailhandel en de horeca aan de andere kant, niet zijn toe te schrijven zijn aan verschillen in de kenmerken van die sectoren.
Wellicht gaat het om een verschil in behandeling van Marokkaanse mannen en vrouwen.
Excuus voor bepaalde problemen met de opmaak komt de leesbaarheid niet ten goede. Alleen dit forum heeft bugs en ik heb het meerdere keren aangepast terwijl deze bugs mij het niet laten aanpassen, redelijk frustrerend.Zo kan uit de statistische discriminatietheorie (Phelps 1973) worden afgeleid dat met name Marokkaanse mannen vaker te maken krijgen met discriminatie dan Marokkaanse vrouwen, omdat de arbeidsprestatiebeelden over de Marokkaanse mannen minder positief zijn. Helaas kunnen we met de informatie uit ons onderzoek niet zeggen of de gevonden verschillen toegeschreven moeten worden aan verschillen in sector of geslacht.
Situatietest met standaard zinnen, jammer dat de sollicitant zelf aangeeft hoe de toon van het gesprek was maar ok. Het aantal afwijzingen of ontkennen dat ze wel eens aan stages doen is wel veel hoger dan ik had verwacht hahaha. Vooral in de bouw en dat is dan richting Marokkaanse mannen, dus dat kan nog een ding zijn maar in de horeca richting Marokkaanse vrouwen juist relatief minder en daar is nog een mogelijke factor wat betreft de etniciteit van de werkgevers.Dolfing, M., & van Tubergen, F. (2005). Bensaïdi of Veenstra? Een experimenteel onderzoek naar discriminatie van Marokkanen in Nederland. Sociologie, 1(4), 407-422.

Pittig wat leeswerk (139p), zal dat later gaan doen.Nievers, E., & Andriessen, I. (2010). Discriminatiemonitor niet-westerse migranten op de arbeidsmarkt 2010.
Uit interviews met ruim honderd werkgevers en medewerkers van intermediaire organisaties (uwv werkbedrijf, uitzendbureaus en reïntegratiebedrijven) blijkt onder meer dat werkgevers doorgaans terughoudend zijn niet-westerse migranten aan te nemen. Enerzijds is dit het gevolg van negatieve beeldvorming, maar anderzijds vindt men toch ook dat niet-westerse migranten op basis van hun kwalificaties en beheersing van het Nederlands onvoldoende kunnen concurreren met autochtoon Nederlandse kandidaten.
).Marokkanen zijn mijns inziens wel een specifieke groep “allochtonen”. Ook wordt er afwisselend "Marokkaan" en "Allochtoon" gebruikt, terwijl alleen Marokkanen zijn qua proefpersonen. En de "Marokkaan" is, nogmaals mijns inziens, niet per se representatief voor de "Allochtoon".
Pittig wat leeswerk (139p), zal dat later gaan doen.
Oh serieus? Dat dat nog voorkomt in Nederland,
Hierbij enkele van de vele onderzoeken die dit laten zien; ik noem er even enkele die gaan over Nederland o.a. die van Frank van Tubbergen (hoogleraar sociologie) maar ook internationaal wordt dit verschijnsel gevonden
van Tubergen, F. (2006). De Arbeidsmarktpositie Van Allochtone Vrouwen in Internationaal Vergelijkend Perspectief. Migrantenstudies, 4, 199-218.
Dolfing, M., & van Tubergen, F. (2005). Bensaïdi of Veenstra? Een experimenteel onderzoek naar discriminatie van Marokkanen in Nederland. Sociologie, 1(4), 407-422.
Nievers, E., & Andriessen, I. (2010). Discriminatiemonitor niet-westerse migranten op de arbeidsmarkt 2010.
Ook rapporten van het SCP noemen dit verschijnsel, discriminatie op de arbeidsmarkt is een feit. Als iemand van een allochtone achtergrond heb je minder kans dan een autochtoon om gevraagd te worden langs te komen voor een sollicitatiegesprek en kom je dus moeilijker aan een baan.
Neen, dit gaat over het niet eens uitnodigen op een sollicitatie door de naam die duidt op een andere afkomst. Je kan niet zien aan de sollicitatiebrief of iemand lang of dik is. Het gaat er hier om dat mensen met een andere etniciteit soms nog geen eens de kans krijgen langs te komen en hierdoor veel moeilijker aan een baan te komen.
Nogmaals, zeg ik hier dat men zielig in een hoekje alles op discriminatie moet blaimen, nee zeker niet.
godver
Wat zijn de kansen op de Turkse, Marokaanse, Roemeense (enz.) arbeidsmarkt voor een gemiddelde Nederlander tov van een autochtoon aldaar?

