Tijdens de bezetting vormden deze gebieden de op drie na snelst groeiende economie ter wereld, nog vóór Singapore, Hongkong en Korea en ook met ruime voorsprong op Israël zelf. Tussen 1967 en 2000 steeg de gemiddelde levensverwachting van 48 naar 72 jaar en daalde de kindersterfte van 60 op de 1.000 geboorten in 1968 naar 15 op de 1.000 in het jaar 2000. En terwijl er op de Westoever of in de Gazastrook vóór het Israëlische bewind niet één universiteit bestond, waren er midden jaren negentig maar liefst zeven, die gezamenlijk ruim zestienduizend studenten telden.
Al deze verworvenheden zijn na de Oslo-akkoorden gestaag ongedaan gemaakt, toen Arafat het bewind over delen van deze gebieden overnam. In september 1993 was de situatie op de Westoever en in de Gazastrook nog steeds beter dan in de meeste Arabische buurlanden, ondanks de economische teruggang door de eerste intifada. Binnen een half jaar nadat Arafat in Gaza aankwam, daalde de levensstandaard er met 25 procent en ruim de helft van de inwoners zei dat ze onder het Israëlische bewind tevredener waren geweest. Het begin van de tweede intifada, zes jaar later, was de genadeklap voor de economische en maatschappelijke vooruitgang die Israël had achtergelaten.