Voor me zag ik mijn voetsporen in het zand, een pad nog onbewandeld door mijn fysieke zelf. Om me heen zag ik de talloze drenkelingen, velen ervan in een staat van totale wanhoop. Met een verwarde ondertoon spreken ze hun woorden van ongeloof "nog 3.. nog 3..? je bent gek.. je bent gek. je bent gek." en verslagen zie ik ze op de grond in elkaar zakken.
Deze zielen moesten worden vermeden, leerde ik al vroeg - want het zijn zij die nooit progressie zullen beamen, zij die met hun vingers wijzen en met afstand spreken over zaken die zij nooit eigen konden of durfden te maken.
Alsof het mijn enige mogelijkheid was legde ik mijn voeten een na een in de sporen voor me. Iedere stap die ik zet voelt natuurlijk, voelt juist. Het was alsof ik hier eerder was geweest, maar mijn herinneringen komen niet overeen met die veronderstelling.
Zo nu en dan wordt ik benaderd door een goudzoeker, die mij vraagt of ik weet waar het goud ligt verborgen. Het is alsof ze ruiken dat ik de geheimen ken. Ik vraag ze waar hun schip ligt. En met enige zekerheid verwacht ik het keer op keer herhalende antwoord " Schip? Welk schip? " of " Ik heb vele schepen! Groter dan de grootste! ", maar zelfs zij die een schip bezitten, weten niet hoe zij ermee konden varen, over hun zee kunnen heersen. Ik leg ze uit over de weide, met koren en vee.. waar ze hun antwoorden zullen vinden. Teleurgesteld vervolgen ze hun weg, en ik wens ze geluk.
Ook ik was eens een goudzoeker, deswege mijn sentiment. Odysseus proefde al van de gevaren van de zee, en sindsdien volgden velen hem, vaak met minder glorieuze resultaten. De reis is lang, en vergt veel.. iets dat velen niet beseffen..
Maar voor mij was het moment daar. Met mijn voeten stevig in het zand gegraven keek ik naar de zilveren piek, dit is waar ik mijn goud had begraven. Ik realiseerde me dat mijn reis nu pas begon....