over slavernij gesproken, vanaf het eerste studiejaar worden wij met het schuldgevoel opgezadeld van wat wij blanken die arme zwarte mensen hebben aangedaan, nu wil ik dit niet ontkennen maar hoeveel van jullie hebben dit op school geleerd??
In de 17e eeuw leefden de kustbewoners en vissers van Engeland met de grote angst om gevangen genomen te worden door piraten en verkocht te worden als slaven in Noord Afrika. Honderdduizenden Europeanen hebben dat lot ondergaan en kwamen ellendig aan hun eind in Noord Afrika. Professor Robert Davis heeft hier onderzoek naar verricht.
'Toen we in Cork waren gearriveerd, verzocht ik aan Lord Inchaquoin om mij een paspoort te geven voor Engeland. Ik nam de boot naar Youghal, scheepte in op het schip van John Filmer, en vertrok samen met 120 andere passagiers. Maar nog voordat we uit het zicht van het vasteland waren, werden we geënterd door Algerijnse piraten, die elk in de boeien sloeg. 'Britse schepen werden vrijwel naar believen geënterd en geplunderd' schreef Dominee Devereux Spratt die in april 1641 een simpele oversteek maakte over de Ierse Zee naar Engeland maar eindigde Algiers waar hij verschillende jaren als blanke slaaf werd vastgehouden.
Het verhaal van Spratt is nu vrijwel vergeten, maar was het zeer zeker geen incident die tijd. In de eerste helft van 1600 stroopten Noord-Afrikaanse piraten - onder goedkeuring van hun heersers - de Britse kust af. In hun 'xebecs' (een type schip) en galeien enterden ze schepen, namen de zeelui gevangen en verkochten hen als slaaf. Gegevens van de Admiraliteit lieten zien dat de zeerovers gedurende de periode 1609 en 1616 maarliefst 466 schepen hadden overvallen en in 1625 alleen al 27 schepen in de buurt van Plymouth.
De 18e eeuwse historicus noemde deze periode de 'bloeitijd' van deze piraten. Maar het was absoluut niet het einde van dat tijdperk. Hij meldde dat hij uit een lijst kon citeren, opgemaakt in Londen in 1682, waarin 160 schepen opgenomen waren van Britse schepen die buitgemaakt waren door Algerijnse zeerovers in de periode van 1677 t/m 1680. Omgerekend naar het aantal der bemanningen van deze schepen kon worden opgemaakt dat naar schatting tussen de 7.000 á 9.000 gezonde Engelse mannen en vrouwen tot slaaf waren gemaakt in die jaren.
De zeerovers namen niet alleen genoegen met het overvallen van schepen en het gevangennemen van zeelui, soms gingen ze over tot het plegen van overvallen op kustplaatsen. Bij voorkeur slopen ze 's nachts via de onbewaakte stranden naar de dorpen en steden, ontvoerden bewoners en vertrokken voordat er alarm geslagen kon worden.
Op deze wijze werden in 1631 vrijwel alle inwoners van de Ierse plaats Baltimore ontvoerd. Andere overvallen werden gepleegd op kustplaatsen in Devon en Cornwall. Samuel Pepys geeft een levendig verslag in zijn dagboek van 8 februari 1661 van een ontmoeting met twee mannen die tot slaaf waren gemaakt.
'we zaten in de 'Fleece Tavern' en doodden onze tijd met praten en drinken tot 4 uur in de morgen, ondertussen verhalen vertellend over Algerije en de wijze waarop slaven werden behandeld. Kapitein Mootham en Dhr. Dawes (die beiden slaaf geweest waren) vertelden uitgebreid over hun ervaringen. Bijvoorbeeld hoe ze enkel water en brood te eten kregen, hoe ze geslagen werden onder hun voetzolen en op hun buik, al naar gelang hun meester beliefde'. Voorbeelden als die van Mootham en Daws waren veel voorkomend in het 17e eeuwse Brittannië. In later jaren verklaarden de Britten dat ze 'nooit een slaaf zouden zijn', maar gedurende die periode kwam het maar al te vaak voor.
Volgens de onderzoekers van de late jaren 1500, begin 1600 werden er rond de 35.000 Europese christenen als slaven gehouden in Noord Afrika, voornamelijk in Tripoli, Tunis en verschillende Marokkaanse steden, maar de meesten in Algiers. Een groot gedeelte bestond uit zeelui, die samen met hun schepen waren opgebracht, maar het grootste deel bestond uit vissers en kustbewoners. Een groot deel van de Britse slaven waren zeelui, en hoewel hun aantal behoorlijk was, in aantallen waren ze in de minderheid. De meerderheid bestond uit Europeanen, afkomstig uit de landen in de directe nabijheid van Afrika, in het bijzondere uit Spanje en Italië. Soms werden deze ongefortuneerde zuiderlingen bij duizenden tegelijk door de slavenhandelaars weggevoerd, die met name de kusten van Valencia, Andalusia, Calabria en Sicilië afstroopten en dat zó intensief deden dat daar op gegeven ogenblik niemand meer was om gevangen te nemen.
Er zijn geen gegevens bekend over aantallen vrouwen, mannen en kinderen die als slaaf verhandeld werden, maar het is mogelijk om een ruwe schatting te maken van de aantallen die gevangen moesten worden om de bestaande slavenpopulatie op peil te houden en om de dode slaven te vervangen, die er in slaagden te ontvluchtten, verkocht werden of zich bekeerden tot de Islam. Aan de hand van deze gegevens werd uitgerekend jaarlijks 8.500 nieuwe slaven nodig waren. Over de periode 1580 tot 1680 een totaal van 850.000 nieuwe slaven. Omgerekend naar de 250 jaren tussen 1530 en 1780 komt dit uit op een totaal van ca. 1.250.000 slaven! Hoewel dit aantal ongeveer een tiende deel is van het totaal aantal zwarte afrikanen dat in de periode 1500 tot 1800 als slaaf verkocht werd naar Amerika, is het een behoorlijk groot aantal. De meeste blanke slaven waren in hoofdzaak afkomstig uit arme families en hadden net als de afrikaanse slaven die naar Amerika werden verkocht, geen kans om ooit vrijgekocht te worden. De meesten stierven als slaven in Noord Afrika van de honger, ziektes en aan mishandeling.
De blanke slaven in Noord Afrika konden ruwweg worden ingedeeld in twee categorieën. De 'algemene slaven' die behoorden aan de regerende Pasha, die uit hoofde van zijn status het recht bezat op éénachtste van alle gevangen genomen blanke christenslaven en daarnaast elk gewenst aantal kon kopen tegen gereduceerde prijs. Deze slaven werden gehuisvest in grote gevangenissen, ook wel baños genoemd, overbevolkte ruimten en vaak onder erbarmelijke omstandigheden. Ze werden in hoofdzaak gebruikt om als galeislaaf aan de riemen geketend de galeien voort te bewegen als deze uitvoeren op zoek naar buit en nieuwe slaven. Werk dat zo zwaar was, dat duizenden aan de ketting stierven of gek werden.
Gedurende de wintermaanden werkten deze galeislaven aan andere projecten zoals het versjouwen van bouwstenen, het bouwen van ommuurde havenfacilitieten, het hakken van hout, en het bouwen van nieuwe galeischepen. Elke dag kregen ze twee, hooguit drie sneden donker brood 'waar de honden hun neus voor ophaalden' en een gelimiteerde hoeveelheid water. Per jaar kregen ze één maal nieuwe kleding uitgereikt. Diegenen die haast bezweken onder de werkdruk of ondervoeding werden zó zwaar mishandeld dat ze alsnog aan de arbeid togen. De Pasha kocht hoofdzakelijk vrouwelijke slaven die hij in zijn harem opnam en die daar gevangen gehouden werden tot ze stierven. Een deel werd vrijgekocht tegen een vastgesteld 'losgeld' en waren dan tot die tijd in het paleis werkzaam als bedienden.
Sommige slaven werden eigendom van particuliere slavenhouders. Hun behandeling en uit te voeren werkzaamheden varieerden al naar gelang de wil en wensen van hun meesters. Sommige slaven werden goed behandeld en werden min of meer als gelijke behandeld door hun eigenaar. Anderen werden tewerk gesteld in de landbouw, in de bouw, als waterverkopers en overal waar ze naar het oordeel van hun eigenaar nuttig werk konden verrichten. Van de slaven werd geëist dat zij een bepaald deel van hun opbrengsten afstonden aan hun eigenaar - en degenen die er niet in slaagden de vastgestelde opbrengst af te dragen werden door middel van mishandelingen gemotiveerd harder te werken. Als slaven te oud werden of de eigenaar geld nodig had, werden de slaven weer doorverkocht, en dat vaak meerdere malen. De meest ongelukkige slaven eindigden vergeten in de woestijn, in afgelegen plaatsen als Suez of in de galeien van de Turkse Sultans waar sommige slaven tientallen jaren vastgeketend bleven, zonder ooit een voet aan wal te zetten.
Europeanen ondernamen soms incidentele pogingen om hun familie vrij te kopen, maar tot aan het jaar 1640 bestond hier geen algemeen geldende aanpak voor. Na die tijd werd dit 'vrijkopen' meer gestructureerd en zelfs gesubsidieerd, met name in Spanje en Frankrijk Het grootste deel van het werk, vanaf het bij elkaar schrapen van middelen, het maken van bemiddelingsreizen en het onderhandelen met de slaveneigenaars werd verricht door leden van kloosterordes.
Over heel Spanje en Italië verspreidt stonden er collectebussen in kerken, bedoeld voor de 'arme slaven' en riepen de geestelijken hun welgestelde geloofsgenoten constant op om de 'slaven-vrijkopers' in hun testament te op te nemen. Slaven-vrijkoopgroepen vormden zich in honderden steden en dorpen. Het vrijkopen van een slaaf werd beschouwd als één van de grootste daden van naastenliefde die een Katholiek zich kon bedenken, ze vormden dan ook het perfecte slachtoffer: "Hun enige fout en misdaad is de erkenning van Jezus Christus als hun Heer en Heiland, en de verkondiging van Zijn woord als het Ware Geloof'. Aan het begin van het jaar 1700 was door dit vrijkopen van slaven het aantal in Noord Afrika aanmerkelijk gereduceerd, ook al stegen de slavenprijzen doordat het 'aanbod' schaars werd.
In tegenstelling tot het Katholieke deel van Europa was het protestantse deel van Europa laks en ongeorganiseerd in betrekking tot het bevrijden van hun landgenoten. Duizenden Nederlanders, Duitsers en Engelsen leden onder de meest erbarmelijke omstandigheden jarenlang een slavenbestaan in kettingen, zonder hulp van kloosterlingen of financiële middelen om hen vrij te kopen. Engeland zette een klein deel belastingverlaging en een deel van de invoerbelasting opzij voor 'Algerijnse behoefte', maar het grootste deel hiervan verdween aan andere projecten. Grootschalige vrijkopingen - zoals die door Edmund Casson, die in één keer 244 mannen, vrouwen en kinderen vrijkocht in 1646 - waren uitzonderlijk, zodat het resultaat was dat Britse protestanten voor het merendeel gedmoraliseerd stierven in gevangenschap, méér dan Europese Katholieken.
Veel slaven werden bekeerd tot de Islam, echter - zoals Morgan dit stelde - was de enige reden hiervoor dat ze daardoor bevrijdt werden van de Galeien, maar wél gewoon eigendom bleven van hun meester. Christelijke vrouwen die in de harem van de Pasha terecht waren gekomen, 'bekeerden' zich tot "Turk" om bij de verwekte kinderen te kunnen blijven, die werden opgevoed als moslims. Sommige bekeerde slaven slaagden erin gemakkelijker werk te krijgen, soms als opzichter over andere slaven, soms echte macht en een enkele keer ook echte vrijheid.
Slaven in Noord Afrika waren afkomstig van elke etnische afkomst, zwart, bruin of wit, katholiek, protestant, orthodox, joods of moslim. In de jaren 1600 was iemands etnische afkomst of religie niet bepalend voor vrijwaring van het slavendom. Geestelijken in kerken van Sicilië tot Boston spraken over de vergelijkbare lotgevallen van zwarte slaven op de plantages en blanke slaven in de galeien.
Deze wetenschap moet een omwenteling teweeg brengen in het denken dat slavernij beperkt is bepaald is door raskenmerken. Er is ook een omslag in het denken nodig omtrent de impact van de 'slavenjachten' in Spanje, Italië en Brittannië, waarover vandaag de dag veel minder bekend is dan de activiteiten omtrent de slavernij in Afrika. De grootschalige mensenroof langs de kusten van Malaga tot Venice, de verarming veroorzaakt door de ontvoering van ontelbare kostwinners, de miljoenen, betaald door de toch al verarmde bevolking van steden en dorpen om hun mensen terug te kopen, al dit is enkel het begin van een ontluikend historisch besef bij hedendaagse historici.
Greeetzzzz