Toen ik lag te slapen, vrat een schaap aan de krans van klimop om mijn hoofd, - vrat en sprak: 'Zarathoestra is geen geleerde meer.' Zo sprak het schaap en het liep weg, hanig en kranig. Een kind vertelde het mij. Een geleerde ben ik nog voor kinderen en ook voor distels en rode papavers. Onschuldig zijn ze, zelfs nog in hun boosheid. Maar voor de schapen ben ik het niet meer: zo wil het mijn lot - gezegend zij het!
Want dit is de waarheid: weggetrokken ben ik uit het huis der geleerden: en de deur heb ik nog achter me dicht geslagen.
Te lang zat mijn ziel hongerig aan hun dis; ik ben niet, zoals zij, afgericht op het kraken van inzicht als ging het om noten.
...
Zoals wie op straat de voorbijgangers staan aan te gapen: zo staan ook zij te wachten en gapen gedachten aan die anderen hebben uitgedacht. Pakt men hen beet, dan stuiven ze als meelzakken en onvrijwillig in het rond: maar wie zou ooit raden dat hun stof komt van het graan en van de gele verrukking van zomerakkers?
...
Behendig zijn ze, zij hebben vaardige vingers: wat wil mijn eenvoud naast hun veelvoud! Rijgen, haken en weven, al deze kunsten verstaan hun vingers: zo breien ze de kousen van de geest!
Goede uurwerken zijn het: alleen moet men opletten dat men ze goed opwindt! Dan geven ze zonder mankeren het uur aan en maken daarbij een bescheiden kabaal.
...
Ze willen er niets van horen dat iemand boven hun hoofden loopt; en dus legden ze hout, aarde en rommel tussen mij en hun hoofden.
Zo dempten ze het geluid van mijn schreden: en het slechtst werd ik tot dusver gehoord door de grootste geleerden.
Uitleg, commentaar:
http://www.kolumbus.fi/volwassengeloof/nietzsche/II.16.htm (btw een zeer goede site om de filosofie van Nietzsche te ontdekken. Zonder Albert had ik Nietzsche, Zarathoestra wss nog altijd niet begrepen.)