234 Troostrede van een muzikant. - 'Jouw leven klinkt de mensheid niet als muziek in de oren: voor hen leef jij een stom leven, en alle verfijning van melodie, alle tere besluitvaardigheid in het volgen of vooropgaan, blijft hun verborgen. Het is waar: je komt niet midden over straat met een militair muziekkorps aangestapt (gelukkig maar), - maar daarom hebben deze braven nog niet het recht te beweren dat het jouw levenswandel aan muziek ontbreekt. Wie oren heeft, die hore.'
183 De muziek van de beste toekomst. - De belangrijkste musicus zou voor mij diegene zijn die slechts de treurigheid van het diepste geluk kent, en verder geen treurigheid: zo een heeft er tot dusver nog niet bestaan.
184 Justitie. - Zich liever te laten bestelen dan vogelverschrikkers om zich heen te hebben - dat is mijn smaak. En het is onder alle omstandigheden een kwestie van smaak - en verder niets!
185 Arm. - Hij is arm vandaag de dag: maar niet omdat men hem alles ontnomen heeft, maar omdat hij alles heeft weggegooid: - wat deert het hem? Hij is gewend te vinden. - Het zijn de armen die zijn vrijwillige armoede verkeerde begrijpen.
154 Verschillende vormen van gevaarlijk leven. - Jullie weten helemaal niet wat jullie allemaal beleven, jullie lopen als beschonken door het leven en vallen af en toe van de trap. Maar dankzij jullie dronkenschap breken jullie daarbij toch niet armen en benen: jullie spieren zijn te slap en jullie hoofd is te duister om de stenen van deze trap even hard te vinden als wíj! Voor ons is het leven een groter gevaar: wij zijn van glas - wee, wanneer wij ons stoten! En alles is verloren, als wij vallen!
62 Liefde. - De liefde vergeeft de geliefde zelfs de begeerte.
74 Gebrek aan succes. - Nooit hebben díe arme vrouwen succes die in tegenwoordigheid van wie zij liefhebben, onrustig en onzeker worden en te veel praten: mannen worden namelijk het makkelijkst verleid door een bepaalde heimelijke en flegmatische tederheid.
280 Architectuur van de kennenden. - Ooit, en waarschijnlijk binnenkort, zal er behoefte zijn aan wat vooral onze grote steden ontbreekt: stille en ruime, uitgestrekte plaatsen om na te denken, plaatsen met hoge, lange zuilengangen voor slecht of al te zonnig weer, waar geen rumoer van wagens en venters doordringt en waar een verfijnder fatsoen zelfs de priester het hardop bidden verbieden zou: bouwwerken en plantsoenen, die als geheel de verhevenheid van de bezinning en de afzijdigheid uitdrukken. De tijd is voorbij dat de Kerk het monopolie van het nadenken bezat, dat het vita contemplativa altijd in de eerste plaats vita religiosa moest zijn: en alles wat de Kerk gebouwd heeft, brengt deze gedachte tot uitdrukking. Ik zou niet weten hoe wij met haar bouwwerken, zelfs wanneer die van hun kerkelijke bestemming ontdaan zouden zijn, genoegen zouden kunnen nemen; deze bouwwerken spreken een veel te pathetische en geïntimideerde taal, huizen Gods en pronktonelen van een bovenwereldlijk verkeer als ze zijn: wij goddelozen zouden hier onze gedachten niet kunnen denken. Wij willen ons in steen en plant vertaald zien, wie willen in ons gaan wandelen, wanneer wij in deze hallen en tuinen wandelen.
282 De gang. - Er zijn manieren van de geest waarmee ook grote geesten verraden dat zij van het gepeupel of van half gepeupel afstammen: - de gang, de tred van hun gedachten vooral is het wat hen verraadt; zij weten niet hoe ze moeten lopen. Zo was ook Napoleon tot zijn grote verdriet niet in staat om als een vorst en 'legitiem' te lopen, bij gelegenheden dat men deze kunst eigenlijk moet beheersen, zoals bij grote kroningsstoeten en dergelijke: ook dan was hij altijd slechts de aanvoerder van een colonne - trots en gehaast tegelijk, en zich daarvan ten zeerste bewust. - Het is vermakelijk om te zien hoe deze schrijvers de geplooide gewaden van hun lange zinnen om zich heen laten ruisen: op deze manier willen ze hun voeten verbergen.
336 Gierigheid van de natuur. - Waarom is de natuur zo zuinig jegens de mens geweest, dat zij hem niet liet stralen, de een wat meer, de ander wat minder, al naar gelang van zijn innerlijke rijkdom aan licht? Waarom hebben grote mensen niet een even mooie zichtbaarheid in hun opgang en ondergang als de zon? Wat zou alle leven onder de mensen dan een stuk ondubbelzinniger zijn!
208 Groot man! - Uit het feit dat iemand een 'groot man' is, mag nog niet geconcludeerd worden dat hij een man is: misschien is hij alleen maar een knaap, of een kameleon van alle leeftijden, of een behekst wijfje.
224 Kritiek van de dieren. - Ik vrees dat de dieren de mens beschouwen als hun soortgenoot die op hoogst gevaarlijke wijze zijn gezonde dierenverstand verloren heeft, - als het waanzinnige dier, als het lachende dier, als het wenende dier, als het ongelukzalige dier.
215 Ideaal en stof. - Jou zweeft een voornaam ideaal voor ogen: maar ben jij wel een zo voorname steen, dat er van jou een godenbeeld gemaakt zou mogen worden? En afgezien daarvan - is al je arbeid geen barbaarse beeldhouwerij? Een lastering van je ideaal?
227 Verkeerde conclusie, misgeschoten! - Hij kan zich niet beheersen: en daaruit concludeert die vrouw dat het gemakkelijk zal zijn hem te beheersen, en werpt haar netten naar hem uit; - de zielenpoot, die binnenkort zijn slavin zal zijn.
240 Aan zee. - Ik zou geen huis bouwen (en het maakt zelfs deel uit van mijn geluk dat ik geen huiseigenaar ben!). Zou ik echter moeten, dan zou ik, zoals menige Romein, een huis tot in de zee bouwen, - ik zou met dit schitterende monster wel een aantal verborgenheden gemeen kunnen hebben.
Friedrich Nietzsche, 'De vrolijke wetenschap' (1882).