De thuiskomst
O eenzaamheid! O mijn thuisland eenzaamheid! Te lang leefde ik wild in wildvreemde oorden om niet met tranen naar jou terug te keren!
Dreig me maar met de vinger zoals moeders dreigen, glimlach me maar toe zoals moeders glimlachen, zeg maar: 'En wie was het die als een stormwind eens van mij wegstormde? -
- de bij het scheiden riep: te lang toefde ik bij de eenzaamheid, en zo verleerde ik het zwijgen! Dat - heb je nu wel geleerd?
O Zarathoestra, alles weet ik: ook dat jij onder de velen meer verlaten was, o eenling, dan ooit bij mij!
Één ding is verlatenheid, een ander eenzaamheid: dat heb je nu geleerd! En dat je onder mensen steeds wild en vreemd zult zijn:
- ook wild en vreemd nog als zij jou liefhebben: want bovenal willen ze worden ontzien!
Hier echter is je eigen huis en haard; hier kun je alles uitspreken en alle gronden uitstorten, niets schaamt zich hier voor verstopte en verstokte gevoelens.
O eenzaamheid! O mijn thuisland eenzaamheid! Hoe zalig en teder spreekt je stem mij toe!
We bevragen elkaar niet, we beklagen elkaar niet, we gaan openlijk met elkaar door open deuren.
Want open en klaar is het bij jou; en ook de uren lopen hier lichtvoetiger. In het donker immers gaat men zwaarder onder de tijd gebukt dan in het licht.
Hier springen de woorden en woord-schrijnen van al het zijn voor mij open: al het zijn wil hier woord worden, al het worden wil hier van mij leren spreken.
Daar beneden echter - daar is al het praten vergeefs! Daar is vergeten en voorbij de beste wijsheid: dat - heb ik nu geleerd!
Wie alles aan de mensen wilde begrijpen, die zou alles moeten aangrijpen. Maar mijn handen zijn er te schoon voor.
Alleen al hun adem wil ik niet inademen, ach, dat ik zo lang leefde onder hun lawaai en slechte adem!
O zalige stilte rondom mij! O zuivere geuren rondom mij! O, hoe ademt deze stilte zuivere lucht uit diepe borst! O, hoe spitst ze de oren, deze zalige stilte!
Daar beneden echter - daar praat alles door elkaar, daar gaat alles aan het oor voorbij. Al luidt men zijn wijsheid in met klokken: de kramers op de markt zullen haar overstemmen met klinkende duiten!
Alles bij hen praat door elkaar, niemand weet nog te verstaan. Alles valt in het water, niets valt nog in diepe bronnen.
Alles bij hun praat door elkaar, niets lukt nog en komt tot voltooiing. Alles kakelt, maar wie wil nog stil op het nest zitten en eieren broeden?
Alles bij hen praat door elkaar, alles wordt stuk gepraat. En wat gisteren nog te hard was voor de tijd zelf en zijn tand: vandaag hangt het stuk gekrabd en stuk geknaagd uit de muilen van de mensen van heden.
Alles bij hen praat door elkaar, alles wordt verraden. En wat eens geheim was en geheimenis van diepe zielen, thans behoort het toe aan straat-trompetters en andere schetter-kapellen.
O menselijk wezen, o wonderlijk wezen! O lawaai in donkere stegen! Nu lig je weer achter me: - mijn grootste gevaar; en al wat mens is, wil worden ontzien en aardig gevonden.
Met verzwegen waarden, met zottenhand en verzet hart en rijk aan kleine leugens van medelijden: - aldus leefde ik steeds onder mensen.
Vermomd zat ik in hun midden, bereid mezelf te miskennen, opdat ik hun zou kunnen verdragen, en graag mezelf toesprekend: 'O zot, je kent de mensen niet!'
En als ze mij miskenden: ik zot ontzag hun daarom meer dan mezelf: gewend aan hardheid jegens mezelf en vaak me nog wrekend op mezelf voor dit ontzien.
Gestoken door giftige vliegen en uitgehold, zoals de steen, door vele druppels boosheid, zo zat ik in hun midden en sprak mezelf nog toe: 'Onschuldig is al wat klein is aan zijn kleinheid!'
Vooral wat zich 'de goeden en rechtvaardigen' noemen, bevond ik de giftigste vliegen: ze steken in alle onschuld, ze liegen in alle onschuld; hoe zouden ze jegens mij - rechtvaardig kunnen zijn!
Wie onder de goeden leeft, hem leert medelijden liegen. Medelijden maakt de lucht bedompt voor alle vrije zielen. De domheid der goeden is immers ondoorgrondelijk.
Mezelf en mijn rijkdom verbergen - dat leerde ik daar beneden: want eenieder bevond ik nog arm van geest. Dit was de leugen van mijn medelijden: dat ik bij eenieder wist
- dat ik aan eenieder kon zien en ruiken wat geest genoeg was en wat reeds geest te veel voor hem!
Hun stijve wijzen: ik noemde hen wijs, niet stijf, - zo leerde ik woorden inslikken. Hun doodgravers: ik noemde hun vorsers en speurders, - zo leerde ik woorden verwisselen.
De doordgravers graven zich ziekten op de hals. Onder oud puin rusten kwade dampen. Men zal het moeras niet omroeren. Men zal op bergen leven.
Met zalige neusvleugels adem ik weer de vrijheid van bergen! Verlost is eindelijk mijn neus van de geur van al wat menselijk is!
Door scherpe lucht geprikkeld, als door schuimende wijsheid, niest mijn ziel, - niets en jubelt zich toe: gezondheid!
Aldus sprak Zarathoestra