Toen ik 11 was, werd mijn ma, samen met haar vier kinderen het huis uitgezet. Het was een sociale woning, en we waren de enige kinderen in de hele "sociale wijk" (allemaal bejaarden). Die klaagden constant over lawaai (terecht, er was een park, een bos, en er kwamen kinderen van heel ver spelen) maar omdat wij daar woonden richtten de pijlen zich steeds op ons. Mijn ma kreeg brieven dat indien de klachten niet ophielden, haar contract ging verbroken worden. De klachten hielden aan, mijn ma kreeg 3 maand tijd om iets te vinden; Ze was een weduwe met 4 kinderen, geen enkele verhuurder wou aan haar verhuren.
Toen kwam de dag. Deurwaarders, politie, verhuiswagen, en sleutelmaker. Alles op straat. 3 weken noodopvang in "de schelp", daarna 6 maand in "klemenswerk". Uiteindelijk toch iets kunnen huren: met 5 op een studentenkot van 4 op 3 meter. 1,5 jaar daar gewoond, tot mijn oudste broer en zus alleen gingen wonen; Daardoor kon mij ma eindelijk een huis huren met 2 slaapkamers die we wel konden betalen. Daar dan een paar jaar gewoond. Een waar krot: toilet op een koer, douche in de keuken (waar ik bijna stierf door koolmonoxidevergiftiging, zo koud op de slaapkamer dat er ijskristallen waren aan de binnenkant van het raam,... Dit alles heeft mij overtuigd te gaan studeren en nooit nog armoede te kennen. Al mijn broers en zussen hebben de vicieuze cirkel niet kunnen doorbreken.