- Lid sinds
- 9 apr 2010
- Berichten
- 5.978
- Waardering
- 1.979
- Lengte
- 1m76
- Massa
- 90kg
- Vetpercentage
- 15%
Iemand dit al gelezen? Stond vandaag 17augustus in de Pers.
[Link niet meer beschikbaar]
MSTERDAM ...
Wie dikke spierbundels wil ontwikkelen,
moet vooral veel zware gewichten
tillen. Hoe zwaarder, hoe
beter. Zeggen ze in de sportschool.
Maar volgens hoogleraar sport en
spieren Stuart Phillips van de McMaster
Universiteit is dat een misverstand.
Met minder kilo’s lukt het ook.
Waar het om gaat is dat je je spieren
moet uitputten, dan gaan ze groeien.
‘In plaats van met veel gehijg en gesteun
zo zwaar mogelijke gewichten
te heffen, kun je ook een bescheidener
gewicht nemen, maar daar moet
je dan wel mee doorgaan totdat je dat
niet meer omhoog krijgt.’
Het zware werk voor dit onderzoek
werd overigens verricht door
Phillips’ student Nicholas Burd. Hij
klassifi ceerde de gebruikte gewichten
op basis van het maximum dat een
proefpersoon nog nét kon optillen.
Als ze een gewicht van 90 procent kregen,
konden ze dat meestal vijf à tien
keer omhoog drukken. Proefpersonen
die een 30 procents gewicht kregen
(dus 30 procent van hun persoonlijke
maximum), konden dat
ruim twintig keer omhoog drukken
voordat ze moesten opgeven.
Door hun verrichtingen op die
manier te turven en te vergelijken, en
hun spieromvang regelmatig te meten,
ontdekte Burd dat het niet om
het gewicht gaat, maar om de bereidheid
om tot dat uitputtende uiterste
te gaan.
Een bescheiden haltertje werkt
dus net zo goed als een indrukwekkend
exemplaar – mits de bodybuilder
hem maar vaak genoeg omhoog
weet te krijgen.
[Link niet meer beschikbaar]
MSTERDAM ...
Wie dikke spierbundels wil ontwikkelen,
moet vooral veel zware gewichten
tillen. Hoe zwaarder, hoe
beter. Zeggen ze in de sportschool.
Maar volgens hoogleraar sport en
spieren Stuart Phillips van de McMaster
Universiteit is dat een misverstand.
Met minder kilo’s lukt het ook.
Waar het om gaat is dat je je spieren
moet uitputten, dan gaan ze groeien.
‘In plaats van met veel gehijg en gesteun
zo zwaar mogelijke gewichten
te heffen, kun je ook een bescheidener
gewicht nemen, maar daar moet
je dan wel mee doorgaan totdat je dat
niet meer omhoog krijgt.’
Het zware werk voor dit onderzoek
werd overigens verricht door
Phillips’ student Nicholas Burd. Hij
klassifi ceerde de gebruikte gewichten
op basis van het maximum dat een
proefpersoon nog nét kon optillen.
Als ze een gewicht van 90 procent kregen,
konden ze dat meestal vijf à tien
keer omhoog drukken. Proefpersonen
die een 30 procents gewicht kregen
(dus 30 procent van hun persoonlijke
maximum), konden dat
ruim twintig keer omhoog drukken
voordat ze moesten opgeven.
Door hun verrichtingen op die
manier te turven en te vergelijken, en
hun spieromvang regelmatig te meten,
ontdekte Burd dat het niet om
het gewicht gaat, maar om de bereidheid
om tot dat uitputtende uiterste
te gaan.
Een bescheiden haltertje werkt
dus net zo goed als een indrukwekkend
exemplaar – mits de bodybuilder
hem maar vaak genoeg omhoog
weet te krijgen.

