Ik zal er onmiddelijk eentje zoeken.
het toont wel aan hoe oneerlijk je dit debat wil voeren. had je eerlijk geweest dan had je zelf een gegoogled en zeer snel de bronnen gevonden.
zo ziehier de link: vond ik na 10 seconden;
De Derde Kamer
2005.11 Protectionisme van de EU uitbannen: Geef de derde wereld een eerlijke kans!
Millenniumdoel 8
N.B.: Er moet in het voorstel onderscheid gemaakt worden tussen de 50 LDC’s (Minst ontwikkelde landen) waar de situatie het meest acuut is en andere ontwikkelingslanden. [LDC’s: Least Developed Countries, volgens de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties]
I. VOORSTEL
Het protectiebeleid van de EU (landbouwsubsidies en handelsbarrières) heeft duidelijk een vernietigende invloed op de economie van de derde wereld, door bij te dragen aan de escalatie van armoede en het in de weg staan van duurzame ontwikkeling. Tegelijkertijd worden de armste landen gedwongen tot liberalisatie waardoor economieën die al zwak zijn blootgesteld worden aan oneerlijke competitie.
Daar komt bij dat het protectiebeleid de economie van de EU drukt en leidt tot aantasting van het milieu, terwijl slechts een kleine minderheid, die overigens al teveel privileges heeft, hiervan profiteert ten koste van de EU consument/ belastingbetaler en van kleinschalige boerenbedrijven (zie sectie ‘Achtergrond’ voor details). Daarom pleiten wij voor de ontmanteling van dit onjuiste systeem, waarbij het belastinggeld van de EU burger bijdraagt aan de verarming van de Afrikaanse boer.
Dit zou de armoede in de derde wereld meer verminderen dan dat complete schuldenkwijtschelding en buitenlandse hulp bij elkaar ooit zouden kunnen bewerkstelligen. Het zou de ontwikkelingslanden eindelijk in staat stellen duurzaam te ontwikkelen en onafhankelijk te zijn, en dat is hun onvervreemdbaar recht.
Op basis van al deze feiten, roepen wij de Nederlandse regering met kracht op de onderstaande aanbevolen strategie op te volgen, in Nederland en binnen de Europese Commissie, om op deze manier het EU beleid te veranderen en om serieuze hervormingen door te drukken bij het WTO ministerie in Hong Kong, later dit jaar. Ondertussen moeten ze ook zoeken naar steun van andere geïndustrialiseerde landen.
1) SUBSIDIES OPHEFFEN
a) Hoogste Prioriteit (Onmiddellijke Actie)
i) Unilateraal opheffen van exportsubsidies die de wereld marktprijzen drukken (door overproductie en dumpen) en daardoor miljoenen boeren uit de derde wereld een inkomen ontnemen, zowel direct (via markt prijssteun) en indirect (via andere soorten subsidies).
ii) Een limiet stellen op de directe betalingen die ontvangen worden per boerderij of bedrijf.
b) Geleidelijker
Steeds meer andere subsidies opheffen; een proces dat onmiddellijk van start moet gaan en binnen 6 jaar gerealiseerd moet zijn: begin met subsidies op goederen met de hoogste relatieve productie en milieukosten in Europa en die ook cruciale exportproducten zijn voor ontwikkelingslanden (zoals suiker).
c) Compenserende middelen
iii) Aanvullende verlaging van de steunprijs door adequate compensatie te bieden (dit is tot nu toe niet het geval geweest; zie [11], [21]) voor het veroorzaakte verlies van omzet van arme landen (vooral LDCs) die geprofiteerd hebben van de voorkeurstarieven/prijzen en quota’s voor export naar de EU, totdat zij aangepast zijn aan het nieuwe regime.
iv) Gebruik de aanzienlijke hoeveelheid middelen die vrijkomen door het opheffen van subsidies om een alternatief inkomen te verstrekken aan kleinschalige boeren in Nederland/ Europa (zie ‘Achtergrond’, sectie E)
v) Zet een nieuw systeem op van importquota’s om zeker te zijn dat de LDC’s het meest profiteren van de gegroeide wereldwijde exportmogelijkheden die gecreëerd worden door deze middelen.
2) VERWIJDER HANDELSBARRIÈRES
Gun ontwikkelingslanden de kans om een binnenlandse infrastructuur te ontwikkelen voor landbouwindustrie. In volgorde van urgentie:
a) Verwijder unilateraal alle barrières (tarief, quota’s en lastige procedures) voor alle producten (zonder uitzondering) die geïmporteerd worden uit de LDCs.
b) De “Escalating Tariff Structure” die ontwikkelingslanden de kans ontneemt hun eigen industrieën te ontwikkelen compleet opheffen (binnen 3 jaar).
c) De handelsbarrières met andere ontwikkelingslanden compleet opheffen (binnen 3 jaar).
3) BESCHERMING VOOR DE ZWAKSTEN
Geef ontwikkelingslanden het recht hun eigen beleid op te stellen. Vooral aan de hulp en leningen aan LDC’s moeten geen voorwaarden gesteld worden binnen programma’s die de vrije markt herstructureren. Sta deze landen toe (spoor ze zelfs aan) om:
a) hun kwetsbare economie in de beginfase te beschermen tegen de import van superieure producten uit ontwikkelde landen, terwijl hun export vergroot wordt.
b) te liberaliseren (hun markt open te stellen) zodra hun eigen industrieën genoeg ontwikkeld zijn om effectief te kunnen concurreren op de wereldmarkt.
c) de handelsbarrières met andere LCD’s te verlagen tijdens deze tussenperiode.
4) TRANSPARANTIE
Dring er op aan dat cruciale informatie over waar het belastinggeld van de EU burger echt aan besteed wordt openbaar gemaakt wordt.
II. ACHTERGROND
Het slopende effect dat het noordelijke protectionisme (door subsidies en handelsbarrières) heeft op ontwikkelende economieën kan nauwelijks te sterk benadrukt worden: het is duidelijk het meest serieuze obstakel voor duurzame ontwikkeling in de derde wereld. Rijke landen (EU, VS en Japan) ondersteunen hun producenten door middel van een zeer uitgebreid subsidiesysteem door bijvoorbeeld marktprijsondersteuning, directe betalingen en invoersubsidies. EU boeren wordt (onder andere) gegarandeerd dat ze hoge kunstmatige prijzen krijgen voor hun producten.
Daardoor produceren ze te veel en domineren de rijke landen de globale markt door hun producten op de markt te dumpen onder productiekosten. Aan de andere kant is het zo dat 96% van de boeren in de wereld leeft in derdewereldlanden; ze kunnen er niet eens van dromen met deze prijzen te concurreren, ook al kunnen ze tegen veel lagere kosten produceren dan de ontwikkelde landen. Ze hebben maar weinig alternatieven en vechten om te overleven; velen zijn gedwongen naar de stad te verhuizen waardoor de stedelijke sloppenwijken snel uitbreiden.
A) VOORBEELDEN: SUIKER & KATOEN
Suiker(riet) kan het hele jaar door veel effectiever geproduceerd worden in tropische gebieden dan in de EU waar slechts 1 keer per jaar suikerbieten geoogst kunnen worden en dit alleen onder optimale condities met veel input wat leidt tot verdere achteruitgang van het milieu (zie sectie D). Het zou logisch zijn suiker te importeren vanuit de tropische regio’s.
Maar in plaats daarvan domineert de EU (de suikerproducent met de hoogste kosten van de wereld) de wereldwijde suikerexport (voor 40%) door de boeren zwaar te subsidiëren zodat de suiker geëxporteerd kan worden voor 25% tot 44% (percentages van de afgelopen 6 jaar) van de productiekosten (zie [1]). Boeren in ontwikkelingslanden kunnen hier simpelweg niet tegen concurreren. Laten we de waarheid onder ogen zien: belastingbetalers in rijke landen betalen voor de verdere achteruitgang van de arme boer uit de derde wereld. En dan hebben we het nog niet eens over het feit dat zij, als consumenten, drie keer meer betalen voor suiker dan dat als ze het zouden importeren tegen de wereld marktprijs.
Het is interessant te beseffen wie deze suikersubsidies ontvangen: ongeveer de helft hiervan gaat naar grote multinationals. De multinational “Tate & Lyle” bijvoorbeeld, ontvangt per jaar 180 miljoen euro door met name exportsubsidies (zie[4]). Dit is het inkomen dat misgelopen wordt door suikerboeren en hun families in Mozambique, Malawi, Ethiopië, Zuid Afrika, Caribische landen, Thailand, de Filippijnen enz., wiens levens worden bedreigd.
Binnenlandse katoensubsidies in de VS en Europa bedragen samen ongeveer $5 miljard per jaar. De ICCC (Internationale Advies Raad voor Katoen) meldt bijvoorbeeld dat de 301 miljoen dollar die misgelopen werd door producenten uit sub Sahara Afrika in het seizoen 2001-2002 een direct veroorzaakt werd door subsidies uit het noorden. Meer dan 10 miljoen mensen in alleen al West Afrika (Benin, Burkina Faso, Mali, Tsjaad) zijn van katoenbouw afhankelijk om te overleven. Koloniaal en neokoloniaal beleid hebben geleid tot een compleet tekort aan binnenlandse katoenindustrie en ze zijn volledig afhankelijk van de export van ruw katoen.
B) NOORDELIJK PROTECTIONISME EN ONTWIKKELINGSLANDEN
De rijke landen geven alleen al aan landbouwsubsidies een verbazingwekkend bedrag van 350 miljard dollar per jaar uit, een bedrag dat elk positief effect dat bereikt kan worden door middel van schuldenverlichting (momenteel geschat op een bedrag van 40 miljard dollar) of ontwikkelingshulp (52 miljard dollar) teniet doet. Ontwikkelingshulp komt daarom hoogstens neer op het met één hand retourneren van een klein deel van wat door andere subsidies wordt weggehaald. Eigenlijk komt het daar niet eens op neer, gezien het weghalen van het noordelijke protectionistische beleid armoede zou verminderen en duurzame ontwikkeling mogelijk zou maken op een schaal die buitenlands ingrijpen middels financiële steun nooit zou kunnen bereiken.
Tijdens de Uruguay-Ronde van de WTO onderhandelingen (1986-94), hadden de OECD landen toegezegd hun subsidies met 25% te verminderen; in plaats daarvan stegen hun collectieve subsidies (ref.[20]) van 302 miljard dollar (1986-88) naar 330 miljard dollar (1999-2001) en ze blijven nog steeds groeien, evenals hun aandeel aan globale landbouwexport. Het EU aandeel in 2000 was al 42.7%. Aan de andere kant blijkt uit analyse dat 1% groei van het globale exportaandeel van onderontwikkelde landen wereldarmoede met 12% zou kunnen verminderen (ref. [18]).
Ongeveer 59% van de bevolking van onderontwikkelde landen is werkzaam in de landbouw, waarvan 75% in de LDC’s woont, een totaal van 2.5 miljard mensen (ref.[4]).
Als gevolg van landbouwprotectionisme van de rijke landen is miljoenen van deze mensen hun broodwinning ontnomen waardoor ze migreren naar de steden in de derde wereld, waar de sloppenwijken, ziektes en verontreiniging in rap tempo toenemen. Het is daarom ironisch en enigszins triest dat het argument dat het stoppen van landbouwsubsidie leidt tot migratie naar stedelijke gebieden (met alle bijkomende problemen) in Europa wordt gebruikt (met name in Frankrijk, dat het grootste deel van de Europese landbouwsubsidies ontvangt), waar een schamele 3 tot 5% (EU15, zie ref. [17]) van de bevolking werkzaam is in de landbouw, en waar reeds genoeg alternatieven bestaan (30% van EU15 leeft nog steeds op het platteland) en er ook makkelijker meer gecreëerd kunnen worden (zie deel E) door gebruikmaking van de aanzienlijke fondsen die vrijkomen door het opheffen van de subsidies. Overigens is de menselijke verschuiving van landbouw naar andere sectoren een onvermijdelijk gevolg van een hoog ontwikkelingsniveau: in 1850 was de helft van de Europese bevolking werkzaam in de landbouw.
Een systeem van handelsbarrières of tarieven op geïmporteerde goederen in de EU zorgt ervoor dat ontwikkelingslanden geen kans hebben op economische groei en duurzame ontwikkeling. De geïndustrialiseerde landen houden importtariefpieken van 350 tot 900% op voedingsmiddelen (ref.[4,5]) zoals suiker, rijst, zuivel, vlees, fruit, groente en vis; producten die van groot belang zijn voor de export van ontwikkelingslanden. Hierdoor worden ontwikkelingslanden geconfronteerd met importbarrières die 4 keer zo hoog zijn dan degene waar de geïndustrialiseerde landen mee te maken krijgen.
Verder bestaat er een “Escalating Tariff Structure” waarbij importtarieven geleidelijk stijgen in de productieketen. Er worden bijvoorbeeld veel hogere tarieven geheven op chocoladerepen dan op cacao en tarieven op katoen stijgen langzaam van zaden tot garen, stof en kleding (ref.[18]) Op deze manier wordt de koloniale status quo in stand gehouden door aan de ene kant arme landen aan te sporen ruwe producten te blijven leveren om de industrieën van de ontwikkelde wereld te voorzien en aan de andere kant een markt te creëren voor vervaardigde producten
Dit soort beleid staat de ontwikkeling van een eigen industrie voor arme landen aanzienlijk in de weg. Hoewel er volgens het EBA (Everything but Arms – ‘Alles behalve Wapens’) verdrag een aantal voorkeurovereenkomsten bestaan (GSP: Generalized System of Preferences) voor lagere tarieven voor bepaalde producten voor bepaalde landen (meestal oude koloniën) en voor nultarieven voor de LDC’s, worden er vaak uitzonderingen op gemaakt om de noordelijke belangen te beschermen (EBA is al veranderd in Everything but Arms and Sugar and Rice!) [21].
C) BESCHERMING VAN DE STERKEN, BENADELEN VAN DE ZWAKKEN?
De WTO (Wereld Handels Organisatie) zou een handig platform kunnen zijn om tot een internationaal fair trade regime te komen. In plaats daarvan is het gedegenereerd in een steriele organisatie die danst naar de ppen van de geïndustrialiseerd landen, waarbij de onderhandelingen bestaan uit eindeloos gekibbel tussen de EU en de VS. Ondertussen blijven deze landen de regels van de WTO overtreden (bijv. recentelijk de EU bij suiker en de VS bij katoen).
Het meest ironisch is dat ondanks dat terwijl de rijke landen hun protectionistische beleid proberen vast te houden, de regels en het beleid van de WB (Wereld Bank), IMF en WTO de ontwikkelingslanden dwingen hun protectionisme te verminderen of zelfs totaal af te schaffen en hun markten open te stellen. Hulp en leningen zijn voorwaardelijk gemaakt aan zulke liberalisatie en herstructureringsprogramma’s. Deze programma’s zijn vaak de oorzaak geweest van een neerwaartse spiraal richting armoede en afhankelijkheid voor veel ontwikkelingslanden [2].
Om slechts één van de ontelbare voorbeelden te noemen: Indonesië was één van de belangrijkste tien exporteurs van rijst voordat de WTO werd opgericht in 1995. Binnen drie jaar was het ‘s werelds grootste importeur van rijst geworden [5,15]. Dit werd veroorzaakt door het radicale liberalisatiebeleid dat geïntroduceerd werd door WTO, gepaard met zware binnenlandse subsidies in de VS, die hetzelfde vernietigende effect hadden op de soja en suikerproductie. Andere landen die op dezelfde manier en in dezelfde periode (maar met andere producten) benadeeld werden waren de Filippijnen, landen uit Midden-Amerika, sub Sahara Afrika, Vietnam en Peru.
In Afrikaanse LDC’s zijn de handelsbarrières voor import uit geïndustrialiseerde landen lager dan voor andere Afrikaanse landen. Terwijl wat ze nodig hebben voor duurzame ontwikkeling precies het omgekeerde is: eerst hun eigen economie beschermen tegen superieure producten uit geïndustrialiseerde landen, dan hun infrastructuur en export uitbreiden en uiteindelijk liberaliseren als ze in staat zijn te concurreren op de wereldmarkt (vrije handel overeenkomsten sluiten met andere LDC’s in de tussenperiode).
WB Hoofd Econoom Nicholas Stern heeft recentelijk de subsidies die de rijke landen aan hun boeren betalen aan de kaak gesteld en benoemd als “misdaad …op zeer grote schaal”, maar hij waarschuwde tegelijkertijd dat “ontwikkelingslanden hun handelsbarrières moeten opheffen ongeacht wat er gebeurt in ontwikkelde landen.“ De WTO wil ook dat directe betalingen aan producenten (het type subsidie dat het meest gebruikt wordt in geïndustrialiseerde landen), die losgekoppeld worden van productieniveau en marktprijzen, niet de handel in de weg staan en daarom kunnen blijven.
Invoersubsidies (die meestal gebruikt worden door ontwikkelingslanden omdat zij zich geen directe betalingen kunnen veroorloven) zijn staan de handel wel in de weg en moeten afgeschaft worden. Dus de boodschap is eigenlijk dat ontwikkelingslanden al hun subsidies op moeten geven terwijl de geïndustrialiseerde landen de meeste van hun subsidies mogen houden. Toch is deze redenering vrij misleidend (zelfs de WTO geeft dit nu toe): er is gebleken dat directe betalingen leiden tot een grote mate van overproductie en handelsverstoring door kruislingse subsidiëring.
Dezelfde argumenten, die versluierd werden door een systeem van subsidiecategorieën in “amber, groene en blauwe dozen” (ref.[4]) leidden tot een staking van de G-21 groep van ontwikkelde landen tijdens het laatste WTO conferentie in Cancun in 2003. Er wordt geschat [10] dat het vervolg op deze onderhandelingen, die op dit moment besproken worden in Genève om tot een handelsovereenkomst in Hong Kong te komen tegen het eind van dit jaar, tot gevolg zal hebben dat de EU haar uitgave aan subsidies die de handel in de weg staan met 36 miljard dollar per jaar zal vergroten en de VS met 9 miljard.
We moeten met spoed een eind maken aan zulke hypocriete houdingen tegenover wereldhandel, en ontwikkelingslanden de kans geven hun eigen beleidsbeslissingen te maken in plaats van ondergeschikt te zijn aan de commerciële belangen van het noorden.
D) BINNEN DE EU: WIE BETAALT EN WIE PROFITEERT?
Protectionistische middelen van de EU brengen duidelijk veel schade aan de economieën van de ontwikkelingslanden. Als men echter de argumenten vanuit een intern perspectief bekijkt zijn deze middelen ook schadelijk voor de EU economie. De consument/belastingbetaler betaalt teveel: voor belasting die naar subsidie gaat voor boeren en voor te hoge prijzen (twee keer zo hoog als gemiddeld; ref. [17]) in vergelijking met de wereld marktprijs.
De belastingbetaler betaalt ook direct en indirect voor de negatieve effecten van te intensieve landbouw op het milieu. De intensieve teelt van gewassen (die in andere delen van de wereld natuurlijk en kost effectiever groeien) lijdt tot serieuze milieuproblemen zoals nitraat vervuiling, eutrofiëring van water, verhoogde uitstoot van broeikasgassen en verlies aan biodiversiteit. Alleen al Groot-Brittannië (EU cijfers niet beschikbaar) geeft jaarlijks 1,5 miljard pond uit aan het oplossen van deze milieuschade (ref. [4]).
Daar komt bij dat secundaire productie sectoren van geïndustrialiseerde economieën er aanzienlijk bij inschieten door importbarrières. In de VS leidden de handelsbarrières op de import van staal bijvoorbeeld tot serieuze achteruitgang van hun binnenlandse auto-industrie. Op hetzelfde vlak profiteerden EU handelaren en winkeliers van het verlagen van de handelsbarrières tegen Chinese textielimport; de Europese textielproducenten die er aanvankelijk tegen waren verplaatsen zich naar lucratievere sectoren zoals design en marketing. Deze verschuiving leidde uiteindelijk tot een meer dynamische en productievere sector, die in staat was zich aan te passen aan zijn tijd [8].
Om terug te komen op het onderwerp dat altijd heilig blijft voor de EU: Landbouw.
Landbouwsubsidies [12] werden in een heel andere context geïntroduceerd: direct na de depressie van de dertiger jaren en daarna werden ze aangevuld in de eerste jaren van de periode na de oorlog (jaren 40 en 50). Ze waren bedoeld om de toen relatief lage inkomens in de landbouwsector op te schroeven naar het niveau van andere sectoren (bijv. industrie en diensten). Maar de tijden en omstandigheden zijn veranderd, en dezelfde protectionistische en welvaartsmaatstaven die destijds bedoeld waren om de meest gedupeerden te beschermen komen nu onmiskenbaar ten goede aan de overbevoorrechte elementen van de geïndustrialiseerde landen op globaal en lokaal niveau. De details zijn verbluffend:
De EU geeft meer dan 40% van haar budget uit aan landbouwsubsidies, onder beheer van het CAP (Common Agricultural Policy - Algemeen Landbouwbeleid). Dit staat in sterk contrast met de fractie van de totale EU bevolking die werkzaam is in de landbouw: 3 tot 5% en de bijdrage van landbouw aan het BBP van de EU is ongeveer 3 tot 4% [17]. In het jaar 2000 bijvoorbeeld ging 10,5 miljard euro aan landbouwsubsidies naar markt steunprijzen en 25,5 miljard naar directe betalingen [22]. Het is interessant om af te vragen wie er van deze subsidies profiteert**: 40% van de EU subsidies gaan naar de rijkste 2,2% van de boeren (ref. [6]). De directe betalingen zijn vaak proportioneel aan de hoeveelheid eigen land, en er is geen bovengrens.
Het merendeel van de subsidies gaat naar de rijkste landbezitters, leden van het koninklijke huis, edelen en multinationale landbouwbedrijven [Groot-Brittannië heeft onlangs de lijst van haar top tien subsidieontvangers openbaar gemaakt, variërend van de hertog van Marlborough tot aan de koningin zelf. (ref.[4],[14]). De druk op andere landen neemt toe om ook een dergelijke lijst vrij te geven [16], maar tot nu toe is deze informatie in Nederland en Frankrijk nog steeds beschermd (zie punt 4 van het voorstel), en Frankrijk ontvangt een forse 20% van de EU landbouwsubsidies onder beheer van het CAP].
Ook interessant om te vermelden is dat een eerder voorstel van de Europese Commissie om directe betalingen terug te brengen naar 300.000 euro bedrijfstoeslag per jaar ingetrokken moest worden vanwege de oppositie van slechts 2.000 boeren (0,04% van alle boerenbedrijven), waarvan een meerderheid in Oost Duitsland woont waar meer dan dit gestelde bedrag wordt uitgekeerd. Dit zijn de industrieel gemanagde boerderijen die aanleveren aan de grote agribusiness bedrijven."
Kortom, subsidies versterken de oneerlijke distributie van middelen binnen de EU; degenen die hiervan profiteren zijn multinationale/ megalandbouwbedrijven en een handvol rijke boeren die contacten hebben in Brussel. Desondanks blijft dit beleid bestaan in de hervormde CAP van de EU voor de periode 2003-2013.
**Sept 2005: De lijst van grootste subsidieontvangers is eindelijk openbaar gemaakt in Nederland (ref.[23]): 67% van de subsidies gaat naar de top 0,13% van de boerderijen/grondbezitters.
E) AANVULLEND COMMENTAAR
Het grote aantal middelen dat beschikbaar wordt gesteld door het opheffen van subsidies kan gebruikt worden om plannen te financieren om kleinschalige boeren en producenten binnen de EU (die ook benadeeld worden door het huidige beleid dat ten goede komt aan de rijkste landbezitters) te helpen door over te gaan op plattelandsprojecten (naar verwezen in punt 1c)(ii) van dit voorstel) die niet bijdragen aan de verslechtering van de situatie in de derde wereld en de achteruitgang van het milieu: biologisch en multifunctioneel cultiveren, milieuprojecten, natuurlijke reserves, boerderij toerisme en het geven van steun en begeleiding aan nieuwe en toekomstige staten van de EU bij dit soort projecten. In Nederland bijvoorbeeld, waar natuur en bossen ver te zoeken zijn, kan een deel van het land wat niet meer gebruikt wordt voor cultivatie verwilderen of omgezet worden in bos en natuurlijke reserves. Het onderhoud hiervan kan extra werkgelegenheid verschaffen.
We hebben ook de transparantie aan het licht gesteld in dit voorstel (punt 4) omdat voor Nederland veel cruciale informatie over deze onderwerpen niet beschikbaar is of moeilijk aan te komen. Specifieke voorbeelden hiervan zijn een lijst van grootste ontvangers van landbouwsubsidies**, de kosten van milieuschade door te intensieve teelt, en informatie over de handelsbelemmeringen die veroorzaakt worden door verschillende types subsidies, zowel direct als indirect. Dit soort informatie is in Groot-Brittannië al beschikbaar dankzij organisaties zoals Oxfam.
In dit verband roepen wij de leden van de Derde Kamer op te helpen om EU burgers te mobiliseren (door de verspreiding van achtergrondinformatie) om onmiddellijke actie te eisen voor punt 1) en 4) van ons voorstel. Met andere woorden, beste EU burger, je hebt het recht te bepalen waar je belasting heengaat: gebruik dat recht! Jouw belasting kan namelijk bijdragen aan positieve herstructurering binnen de EU in plaats van bijdragen aan handelspraktijken die oneerlijk zijn tegenover de ontwikkelingslanden en deels verantwoordelijk zijn voor de escalatie van armoede.
BRONNEN
[1] UNDP, Human Development Report; 1998, 2004.
[2] Power and Protection: Productivism and the Poor (correspondentie adres 2002, Dr. Bas de Gaay Fortman, ISS, Den Haag)
[3]
Combat at Cancun (Kirit Parikh)
[4] Oxfam sites, bijvoorbeeld:
Oxfam - Trade - Spotlight on Subsidies,
Oxfam - Boxing match in agricultural trade
[5] “WTO and Agriculture : The great Trade Robbery” door Devinder Sharma in Z magazine, Boston, USA: zie
ZNet |Corporate Globalization | WTO and Agriculture
[6]
India Together: EU now says its farmers are entitled to subsidies! - October 2004
India Together: Hold economists accountable too - 4 April 2005
[7]
welcome
[8] “Deuren dicht is duur”, Intermediair 22, 2 juni 2005.
[9]
Europe to scrap 'trade distorting' subsidies?
[10] Guardian Weekly, juni 24-30 2005.
[11] Oxfam Persbericht 22 juni 2005: “EC plan on sugar: a sour deal for the world’s poorest”.
[12] “Liberalisatie van de landbouw: Tussen mythe en werkelijkheid” door Harm Schelhaas.
[14]
Another Countryside,
[Link niet meer beschikbaar]
[15]
The Jakarta Post
[16] Guardian Weekly, juli 1-7 2005.
[17] K. Wickman, TIMBRO Studie, Zweden. Zie:
Timbro - About
[18] TRALAC (Trade Law Centre for South Africa - ) : A Development Perspective on EU Trade Policies. Zie:
A Development Perspective on EU Trade Policies (Part I)
[19] Interview met FerD. van Dam, NRC Handelsblad, juli 2-3 2005.
[20] Farmgate: The Developmental Impact of Agricultural Subsidies, Action Aid.
[Link niet meer beschikbaar]
[21]
Oxfam - Trade - Everything But Arms and Sugar?
[22] DEFRA (Dept. for Environmental, Food & Rural Affairs (UK)); zie:
Farm Subsidies
[23]
Evert Vermeer Stichting