IK BEN TEGEN DE DOODSTRAF.
De doodstraf is een barbaars overblijfsel uit een minder verlichte en verfijnde tijd;
ze is strijdig en onverenigbaar met onze huidige stand van beschaving en menselijkheid.
Ze is in vele staten en landen afgeschaft, en we zien uit naar de dag dat de andere regeringen dit voorbeeld zullen volgen.
Over de kans om zich door de straf te verbeteren, hoeft nauwelijks te worden vermeld dat de doodstraf die mogelijkheid letterlijk wegneemt.
Door de boosdoener van het leven te beroven, wordt hem de gelegenheid om zich te verbeteren ontnomen en worden wij ontslagen van de plicht hem tot een beter mens te maken.
De doodstraf is onherroepelijk, en rechterlijke dwalingen kunnen niet ongedaan worden gemaakt.
Elke mogelijkheid om het vonnis te herroepen is weggenomen.
Onschuldigen zijn opgehangen en de rechter, de jury en de hele daarbij betrokken gerechtelijke macht worden daardoor medeplichtig aan de misdaad die ze wilden bestraffen.
De doodstraf schiet het meest tekort door de dader de gelegenheid te ontnemen zich te beteren.
Als zwakkere broeder, die is gevallen door oorzaken die inherent zijn aan onze sociale structuur, en waarvoor wij allen min of meer verantwoordelijk zijn, heeft hij recht op onze zorg en bescherming.
Onze plicht tegenover de maatschappij hebben we vervuld als we de mens die gevaar oplevert afzonderen zolang hij gevaarlijk zou kunnen zijn.
Wat betreft de afschrikwekkende middelen, deze moeten niet door angst worden ingegeven, maar zijn gericht op hervormende en beschermende maatregelen in onze sociale politiek.
De enige manier om een misdadiger uit de weg te ruimen is door de misdadige mens te hervormen.
Het vernietigen van zijn lichamelijk bestaan is niets anders dan een stompzinnige blunder.
Zou jij er mee eens zijn als je kind de doodstraf krijgt omdat hij in een dronken bui iemand heeft doodgereden?
Als het fysieke bestaan van een misdadiger door dit snelle en onnatuurlijke middel wordt afgesneden, maken we daarmee geen eind aan de kwaadaardige hartstochten die tot de misdaad voerden.
Die zijn niet gedood; ze blijven bestaan.
En omdat ze zich niet langer in een lichaam bevinden, moeten ze rondzwerven en zullen op de gemeenschap azen en de zwakke en onevenwichtige naturen die ze obsederen, aanzetten tot nieuwe afgrijselijke daden.
Dit verklaart de geheimzinnige misdadige uitbarstingen die gekenmerkt zijn door de veel voorkomende bekentenis: ‘Ik weet niet waarom ik het deed, maar iets overviel mij’.
Met het oog op dit feit is de dwaasheid van de doodstraf flagranter dan ooit.
De doodstraf komt neer op een ontkenning van de goddelijke aard van de mens.
Op grond van welke religieuze of filosofische principes kunnen we een beleid rechtvaardigen waarbij een mens zoals wijzelf van alle mogelijkheden om zich te verbeteren wordt beroofd?
Als wij belijden een God van genade en gerechtigheid te eren, en als we zelf smeekbeden richten tot en vertrouwen op die goddelijke genade en gerechtigheid, hoe kunnen we het dan in overeenstemming brengen met onze plicht als mensen geschapen in Gods beeld om een medemens zo ruw uit ons midden te verwijderen en hem naar de Godheid te sturen die we dan geweld aandoen?
Het is ongetwijfeld onze plicht en ons voorrecht een instrument te zijn van goddelijke gerechtigheid en genade, en onze godgegeven vermogens tot het uiterste in te zetten om te pogen onze gevallen broeder weer op de been te helpen.
Het ligt zonder meer in het vermogen van de bestaande regeringen om de middelen te verschaffen waardoor moordenaars en andere criminelen kunnen worden afgezonderd in instellingen waar ze als patiënten of als verstandelijk gehandicapten menswaardig kunnen worden behandeld.
En dit moet deel uitmaken van een algemene campagne voor een opvoedkundige en remediërende behandeling van de misdaad buiten de gevangenismuren.
Anders worden gevangenissen — wat ze maar al te vaak zijn — plaatsen voor het uit de weg ruimen van het materiaal dat we erbuiten voortbrengen.
Dit proces van het eerst zorgvuldig produceren van misdadigers om die vervolgens te doden, is een belediging van onze intelligentie en beschaving. We moeten ophouden ze voort te brengen en mochten ze toch zijn gemaakt, dan moeten we ze verbeteren.
Woede en angst zijn zwakheden, en vergelding kan men gerust overlaten aan de eeuwige gerechtigheid.
Waarom zouden we dan doorgaan met het rechtvaardigen van een handelwijze die, als we ze privé zouden toepassen, zonder meer moord zou zijn?
Waarom zou de staat, die het volk vertegenwoordigt, in koelen bloede daden blijven uitvoeren die een misdadiger alleen in de hitte van hartstocht en krankzinnigheid begaat?
Er kunnen in werkelijkheid geen geldige redenen ter rechtvaardiging worden aangevoerd, behalve redenen die berusten op het verwerpen van onze goddelijkheid en van onze verantwoordelijkheid als goddelijke wezens tegenover onze medemens.
Bron: Sunrise