Fascisme en autoritair conservatisme
Vaak worden autoritair conservatieve regimes ook fascistisch genoemd, met name door hun tegenstanders. Voorbeelden van zulke regimes zijn het
Spanje van
Francisco Franco, het
Portugal van
António Salazar, het
Argentinië van
Juan Perón, het
Roemenië van
Ion Antonescu,
Vichy-Frankrijk en het
Chili van
Augusto Pinochet. Veel politicologen maken echter een onderscheid tussen autoritair conservatisme en fascisme. Een belangrijk kenmerk van conservatisme is dat conservatieven de situatie vaak zo veel mogelijk bij het oude laten, terwijl fascisten in zeker zin revolutionair zijn, en ze de samenleving overhoop willen gooien. Verder willen fascisten de macht zo veel mogelijk centraliseren (bij staat, leider of partij), terwijl conservatieven belang hechten aan maatschappelijke organisaties (bijvoorbeeld kerken) met een onafhankelijke positie.
Op het snijvlak van fascisme en autoritair conservatisme bevinden zich het
klerikaal fascisme en het
falangisme. Een belangrijke vertegenwoordiger van het klerikaal fascisme is de
Oostenrijker Engelbert Dollfuss, die een conservatieve dictatuur vestigde, maar veel elementen overnam van het fascistische Italië. Het
falangisme was tijdens de
Spaanse Burgeroorlog een belangrijke fractie binnen het
nationalistische factie van Francisco Franco, die bovendien steun ontving van het fascistische Italië en nazi-Duitsland. Na de oorlog drong hij de macht van de
Falange Española echter sterk terug, en begon zijn regime meer een autoritair conservatieve dictatuur te worden, waarin ook het
traditionalistisch Carlisme aan invloed won. Hierover bestaan verschillende interpretaties. Volgens sommige auteurs is Franco nooit een fascist geweest en leunde hij slechts maar op Hitler en Mussolini (en rechtse Ierse en Amerikaanse vrijwilligers) om de Spaanse Burgeroorlog te kunnen winnen van de republikeinen. Volgens anderen was hij wel degelijk een fascist, maar deed hij zich na de oorlog voor als een autoritair conservatief om niet hetzelfde lot te ondergaan als Mussolini en Hitler. Franco werkte tijdens de Tweede Wereldoorlog wel actief mee met nazi-Duitsland om duizenden Sefardische Joden, die zich in de door Duitsland bezette gebieden bevonden, te laten deporteren naar concentratiekampen. Als bevriend regime, bood Hitler Franco aan deze Spaanse Joden naar Spanje uit te wijzen. Franco sloeg dit aanbod af en liet tegelijkertijd hun bezittingen overdragen aan de Spaanse staat.