Je moet kijken welke spieren je arm en schouder naar voren en naar binnen trekken en goed de origo en insertie van de spieren bekijken.
Bij de pec major bevindt zich de insertie aan de humerus (opperarmbeen). De spier trekt dus je arm naar voren en naar binnen. Als in deze spier en de fascia (bindweefsel) verklevingen zitten dan komt deze niet meer volledig op lengte. Dat is een passief proces, de spier oefent dus geen kracht uit om te verkorten maar trekt aan de achterkant daardoor wel je rotator cuffs op lengte. Dit op lengte trekken van je rotator cuffs ga je wel voelen omdat deze spieren zwakker zijn en na verloop van tijd pijnsignalen afgeven. Vandaar dat deze spieren dan ook aandacht krijgen maar de boosdoener niet wordt opgemerkt. Een sterke pec major heeft indirect een grote bijdrage aan protractie van je schouderblad (dankzij de rotator cuff die deze verstoring in de kracht balans doorgeeft aan het schouderblad).
De insertie van de pec minor bevindt zich aan je schouderblad en samen met de serratus anterior hebben ze een zeer grote bijdrage aan de protractie van je schouderblad.
De subscapularis, de terres major en de latissimus dorsi roteren je humerus beiden naar binnen toe, wederom zal deze rotatie aan de andere zijde de rotator cuffs verder op lengte trekken en dus weer verdere protractie tot gevolg kunnen hebben.
Opgesomd hebben we de pec major, pec minor, serratus anterior, subscalpularis, terres major en lattissimus dorsi aan de ene zijde (best een aardige volume spiermassa bij elkaar).
Aan de andere kant hebben we de overige 3 rotator cuff spieren, en de rhomboids en midden en lage traps als antagonist. Niet alleen verliest deze groep het in de kwantiteit (aantal spieren) maar ook in kwaliteit (totaal spier volume) van de spieren die protractie en mediale rotatie van de opperarmbeen tot functie hebben. De bovenste vezels van de traps krijgen vaak aandacht bij krachttraining maar midden en lage vezels die veel belangrijker zijn voor de gezondheid van de schoudergordel krijgen nauwelijks aandacht door een gebrek aan kennis en/of het hanteren van te zware gewichten bij rows waardoor de lattisimus dorsi wel volop prikkels krijgt maar de volledige retractie niet gerealiseerd wordt die nodig is om deze spieren te ontwikkelen.
Kortom trainen die lage en midden traps waarbij de focus van de oefening moet liggen op volledige retractie en protractie tijdens de row. Dus niet roeien met je armen maar met je schouderbladen. En releasen alle spieren die protractie voor hun rekening nemen, je hebt de lijst gezien dus loop ze maar na. Triggerpoint releases en fascia releases realiseren met behulp van een lacross bal bijvoorbeeld. Ga liggen op de bal of een pvc pijp (als een spier streng steeds wilt wegschieten). De eerste 1 a 2 minuten zijn er om de viscositeit van je fascia te verminderen en daarna kun je deze gaan manipuleren door enkele minuten het gevoelige weefsel lichtjes te masseren (rondjes draaien bijvoorbeeld terwijl je op de bal ligt). Het flossen van de spier die je behandeld is ook een zeer effectieve methode. Doe dit bij voorkeur voor je training want het verwijderd restricties die je mobiliteit beperken tijdens een training. Doordat de fascia soepel is geworden creëren de bewegingen (full rom) tijdens je training een dynamische stretch die nodig zijn om je fascia voorgoed te manipuleren (de juiste kant op, op weg naar herstel van spierbalans). Naast het releasen van deze spieren probeer ze niet meer zwaar te trainen want dat is contraproductief in dit proces.