Wat ons onderscheidt is niet dat wij nergens een God kunnen vinden, noch in de geschiedenis, noch in de natuur, noch achter de natuur, maar dat wij wat als God vereerd werd, niet als 'goddelijk' ervaren maar als erbarmelijk, als absurd, als schadelijk; het gaat dus niet slechts om dwaling, maar om een misdaad tegen het leven. Wij loochenen [de christelijke] God als God. Indien men ons het bewijs zou leveren voor deze God van de christenen, zouden wij nog minder kunnen geloven. Opgesomd in één formule: De God zoals door Paulus geschapen, is de negatie van een god. Een religie als het christendom, die geen enkel raakpunt met de werkelijkheid heeft, die ogenblikkelijk instort zodra de werkelijkheid ook maar op een enkel punt tot haar recht komt, moet redelijkerwijs de doodsvijandin zijn van de 'wijsheid van de wereld', dwz van de wetenschap...Het geloof als imperatief is het veto tegen de wetenschap, in de praktijk de leugen tot elke prijs.
In De Wil tot Macht staan losse aantekeningen die Nietzsches denken tot op de bodem duidelijk maken:
Het hele absurde residu van de christelijke fabel, het spinnenwebben maken uit bespiegelingen, de hele bezigheid van theologie, interesseert me niet. Zelfs als het nog duizend maal absurder zou zijn zou ik er nog geen vinger tegen uitsteken.
De hele kwestie van "de waarheid" wat betreft het christendom -of het nu gaat om het bestaan van God of de historiciteit van haar legenden en haar oorsprong, om nog maar niet te spreken van christelijke astronomie en natuurwetenschap- is van ondergeschikt belang. Waar het bovenal om gaat is de christelijke moraal. Is de christelijke moraal iets waard, of is het een schande en ontsiering van het leven, ondanks dat ze de heilige kunst tot het verleiden verstaat.
Wat ik in het christendom bovenal bestrijd is haar pogingen om alle krachtigen te breken, alle moedigen te ontmoedigen, hun slechte uren en hun zwakke momenten uit te buiten, hun trotse zelfverzekerdheid om te turnen in onvrede en gewetensnood. Het christendom verstaat de kunst de nobele instincten te vergiftigen en te verzieken, totdat kracht en wil tot macht tegen zichzelf gekeerd wordt en de sterken ondergaan in een orgie van zelfhaat en zelfverachting.[§ 251, 252]